FreshRSS

🔒
❌ About FreshRSS
There are new articles available, click to refresh the page.
☐ ☆ ✇ Trends

‘Oude wetgeving, nieuwe gezinsvormen’

By: Koen Van Duyse

Het zijn wijze rechters die oude wetgeving flexibel toepassen op hedendaagse situaties.

The post ‘Oude wetgeving, nieuwe gezinsvormen’ appeared first on Trends.be.

☐ ☆ ✇ Trends

‘Alles wat een werknemer krijgt als beloning voor zijn arbeid in dienst van een werkgever, is belastbaar’

By: Koen Van Duyse

Kun je een persoonlijk fitnessabonnement in rekening brengen als beroepskosten? Dat hangt ervan af. Een echt juristenantwoord.

The post ‘Alles wat een werknemer krijgt als beloning voor zijn arbeid in dienst van een werkgever, is belastbaar’ appeared first on Trends.be.

☐ ☆ ✇ Trends

‘Alles wat een werknemer krijgt als beloning voor zijn arbeid in dienst van een werkgever, is belastbaar’

By: Koen Van Duyse

Kun je een persoonlijk fitnessabonnement in rekening brengen als beroepskosten? Dat hangt ervan af. Een echt juristenantwoord.

The post ‘Alles wat een werknemer krijgt als beloning voor zijn arbeid in dienst van een werkgever, is belastbaar’ appeared first on Trends.be.

☐ ☆ ✇ Trends

‘Wat staat nog niet in de opsomming van de complexe aangiftes? De meerwaardebelasting die er straks aankomt’

By: Koen Van Duyse

Volgens Trends-columnist Koen Van Duyse is vriend en vijand het erover eens dat de meerwaardebelasting inhouderlijk complex is.

Oktober is de tijd van de complexe aangiften. Belastingplichtigen die aan de personenbelasting zijn onderworpen, moeten ieder jaar tijdig een belastingaangifte indienen, ten laatste op 30 juni. Wie opteert voor een elektronische aangifte, krijgt meer respijt. Die aangifte moet ten laatste op 15 juli binnen zijn. Voor complexe aangiften loopt de indieningstermijn minstens tot en met 16 oktober. Er moeten ook minimaal vijf maanden zitten tussen de terbeschikkingstelling van de elektronische aangifte door de belastingadministratie en de indieningsdatum. Voor die aangiften hebben de belastingplichtigen dus minimaal drie en een halve maand meer tijd dan voor de papieren aangifte.

In een complexe aangifte moeten bepaalde soorten inkomsten worden opgenomen. Dat is het geval indien buitenlandse beroepsinkomsten werden verkregen, dus voor wie een buitenlands salaris als werknemer ontvangt, of buitenlandse bedrijfsleidersbezoldigingen of een buitenlands pensioen. Dat geldt ook voor zelfstandigen en vrije beroepen en voor bedrijfsleiders van een Belgische vennootschap.

Een aangifte die het wetboek als complex bestempelt, hoeft op zich niet complex te zijn. Een voorbeeld om dat aan te tonen. Voor een werknemer die aan de grens met Nederland woont en bij een Nederlandse werkgever werkt, bestaat de aangifte feitelijk meestal slechts uit één getal, ieder jaar opnieuw op dezelfde wijze berekend. Hetzelfde geldt voor veel buitenlandse pensioenen.

Wat staat nog niet in de opsomming van de complexe aangiftes? De meerwaardebelasting die er straks aankomt. Die zit structureel niet zo slecht in elkaar. Dat ademt, voor kenners, het advies van de Raad van State zelfs uit. Niet dat er voor de stemming geen wijzigingen zullen moeten gebeuren, natuurlijk wel. Niet dat er de volgende jaren geen wijzigingen zullen moeten gebeuren, natuurlijk wel. Maar vriend en vijand zijn het erover eens dat de meerwaardebelasting inhoudelijk wél complex is.

Met een bevrijdende bronheffing krijgt men dan wel anonimiteit, maar de belasting zal via de tussenpersoon doorgaans hoger zijn dan via de aangifte.

De belastbare meerwaarde is het positieve verschil tussen de ontvangen prijs en de historische aanschaffingswaarde. Die wordt bij de start vastgeklikt op 31 december 2025 en is in veel gevallen niet zomaar af te leiden. Aandelenpakketten worden niet altijd in één keer aangekocht om vervolgens in één keer verkocht te worden. Dat brengt mee dat ingewikkelde berekeningen zullen moeten gebeuren. Traditioneel wordt voor het verantwoorden van een verdaging van de aangiftetermijn verwezen naar het feit dat informatie uit het buitenland moet komen en niet altijd tijdig beschikbaar is. Dat argument geldt ook hier, indien een beroep wordt gedaan op buitenlandse brokers. Ik pleit er dus voor aangiften met belastbare meerwaarden als een complexe aangifte te beschouwen, met 16 oktober of later als indieningsdatum.

De belasting kan ook worden voldaan via een bevrijdende bronheffing bij de tussenpersoon, zonder dat de belastbare meerwaarden in de aangiften moeten worden opgenomen. Daar zijn twee voordelen aan verbonden: geen administratieve formaliteiten en de concrete meerwaarden blijven, althans in een eerste fase, onder de radar van de belastingadministratie. Daar zijn ook twee grote nadelen aan verbonden: de voetvrijstelling van 10.000 euro wordt niet toegepast en de minderwaarden op andere activa kunnen niet in mindering worden gebracht van de belastbare meerwaarden. Men krijgt dan wel anonimiteit, maar de belasting zal via de tussenpersoon doorgaans hoger zijn dan via de aangifte.

Minister Jambon, er is nog tijd, voeg dus één artikel toe aan de actuele teksten waarbij artikel 308/1 wordt aangevuld. En vergeet ook niet eens te kijken naar de gevolgen voor belastingplichtigen die zijn vrijgesteld om een aangifte in te dienen.

De auteur is partner bij Tiberghien Advocaten

The post ‘Wat staat nog niet in de opsomming van de complexe aangiftes? De meerwaardebelasting die er straks aankomt’ appeared first on Trends.

☐ ☆ ✇ Trends

‘Wat staat nog niet in de opsomming van de complexe aangiftes? De meerwaardebelasting die er straks aankomt’

By: Koen Van Duyse

Volgens Trends-columnist Koen Van Duyse is vriend en vijand het erover eens dat de meerwaardebelasting inhouderlijk complex is.

Oktober is de tijd van de complexe aangiften. Belastingplichtigen die aan de personenbelasting zijn onderworpen, moeten ieder jaar tijdig een belastingaangifte indienen, ten laatste op 30 juni. Wie opteert voor een elektronische aangifte, krijgt meer respijt. Die aangifte moet ten laatste op 15 juli binnen zijn. Voor complexe aangiften loopt de indieningstermijn minstens tot en met 16 oktober. Er moeten ook minimaal vijf maanden zitten tussen de terbeschikkingstelling van de elektronische aangifte door de belastingadministratie en de indieningsdatum. Voor die aangiften hebben de belastingplichtigen dus minimaal drie en een halve maand meer tijd dan voor de papieren aangifte.

In een complexe aangifte moeten bepaalde soorten inkomsten worden opgenomen. Dat is het geval indien buitenlandse beroepsinkomsten werden verkregen, dus voor wie een buitenlands salaris als werknemer ontvangt, of buitenlandse bedrijfsleidersbezoldigingen of een buitenlands pensioen. Dat geldt ook voor zelfstandigen en vrije beroepen en voor bedrijfsleiders van een Belgische vennootschap.

Een aangifte die het wetboek als complex bestempelt, hoeft op zich niet complex te zijn. Een voorbeeld om dat aan te tonen. Voor een werknemer die aan de grens met Nederland woont en bij een Nederlandse werkgever werkt, bestaat de aangifte feitelijk meestal slechts uit één getal, ieder jaar opnieuw op dezelfde wijze berekend. Hetzelfde geldt voor veel buitenlandse pensioenen.

Wat staat nog niet in de opsomming van de complexe aangiftes? De meerwaardebelasting die er straks aankomt. Die zit structureel niet zo slecht in elkaar. Dat ademt, voor kenners, het advies van de Raad van State zelfs uit. Niet dat er voor de stemming geen wijzigingen zullen moeten gebeuren, natuurlijk wel. Niet dat er de volgende jaren geen wijzigingen zullen moeten gebeuren, natuurlijk wel. Maar vriend en vijand zijn het erover eens dat de meerwaardebelasting inhoudelijk wél complex is.

Met een bevrijdende bronheffing krijgt men dan wel anonimiteit, maar de belasting zal via de tussenpersoon doorgaans hoger zijn dan via de aangifte.

De belastbare meerwaarde is het positieve verschil tussen de ontvangen prijs en de historische aanschaffingswaarde. Die wordt bij de start vastgeklikt op 31 december 2025 en is in veel gevallen niet zomaar af te leiden. Aandelenpakketten worden niet altijd in één keer aangekocht om vervolgens in één keer verkocht te worden. Dat brengt mee dat ingewikkelde berekeningen zullen moeten gebeuren. Traditioneel wordt voor het verantwoorden van een verdaging van de aangiftetermijn verwezen naar het feit dat informatie uit het buitenland moet komen en niet altijd tijdig beschikbaar is. Dat argument geldt ook hier, indien een beroep wordt gedaan op buitenlandse brokers. Ik pleit er dus voor aangiften met belastbare meerwaarden als een complexe aangifte te beschouwen, met 16 oktober of later als indieningsdatum.

De belasting kan ook worden voldaan via een bevrijdende bronheffing bij de tussenpersoon, zonder dat de belastbare meerwaarden in de aangiften moeten worden opgenomen. Daar zijn twee voordelen aan verbonden: geen administratieve formaliteiten en de concrete meerwaarden blijven, althans in een eerste fase, onder de radar van de belastingadministratie. Daar zijn ook twee grote nadelen aan verbonden: de voetvrijstelling van 10.000 euro wordt niet toegepast en de minderwaarden op andere activa kunnen niet in mindering worden gebracht van de belastbare meerwaarden. Men krijgt dan wel anonimiteit, maar de belasting zal via de tussenpersoon doorgaans hoger zijn dan via de aangifte.

Minister Jambon, er is nog tijd, voeg dus één artikel toe aan de actuele teksten waarbij artikel 308/1 wordt aangevuld. En vergeet ook niet eens te kijken naar de gevolgen voor belastingplichtigen die zijn vrijgesteld om een aangifte in te dienen.

De auteur is partner bij Tiberghien Advocaten

The post ‘Wat staat nog niet in de opsomming van de complexe aangiftes? De meerwaardebelasting die er straks aankomt’ appeared first on Trends.

☐ ☆ ✇ Trends

‘Terug naar de rechter met onderhoudsuitkeringen’

By: Koen Van Duyse

In het regeerakkoord staat dat de fiscale behandeling van onderhoudsuitkeringen zou worden gewijzigd. Het komt er nu snel aan, men werkt aan de teksten en de Raad van State heeft er zich al over gebogen. Wat is de stand van zaken?

Iemand die verplicht is op regelmatige basis onderhoudsuitkeringen te betalen, kan 80 procent van dat bedrag aftrekken van zijn inkomen. Bij de ontvanger van onderhoudsgelden zijn die bedragen voor 80 procent belastbaar. Dat is het aloude fiscale principe in de inkomstenbelastingen van de communicerende vaten: als iemand bepaalde kosten mag aftrekken, moet iemand anders de kosten aangeven. De bedoeling is dat dit ongeveer neutraal is voor de schatkist. Maar feitelijk is dat voor onderhoudsgelden vaak niet het geval.

Het onderhoudsgeld wordt dikwijls afgetrokken tegen 50 procent, verhoogd met gemeentebelasting, terwijl het effectief belast wordt tegen een veel lager tarief of zelfs niet belast wordt. De onderhoudsverplichting en de omvang ervan worden mee bepaald door de financiële draagkracht. De alimentatie wordt dus betaald door de financieel sterkere partij, terwijl de ontvanger minder verdient of zelfs niets verdient. Dat betekent dat de aftrek gebeurt tegen een hoger belastingtarief, terwijl de belastbaarheid gebeurt tegen een lager of zelfs een nultarief. Als studerende kinderen bijvoorbeeld een onderhoudsuitkering ontvangen en zij geen andere inkomsten hebben, genieten ze van de belastingvrije som die vaak hoger is dan de ontvangen alimentatie. De fiscale besparing is groot, de fiscale opbrengst is klein. Dat kost de begroting stukken van mensen, terwijl die gesaneerd moet worden.

Daarom zijn de regeringspartijen overeengekomen zowel de aftrekbaarheid, als de belastbaarheid te beperken en dat in dezelfde mate. Omdat de aftrek meer kost dan de belastbaarheid opbrengt, leidt een gelijke beperking van beide tot een grote besparing.

De alimentatie wordt een zwaardere last en de vraag is of iedereen die kan dragen.

De aftrek en de belastbaarheid van 80 procent wordt met ingang van dit jaar, gedurende drie jaar, trapsgewijs met 10 procent verminderd tot 50 procent. De eerste vermindering met 10 procentpunten zal dus al van toepassing zijn op de lopende onderhoudsuitkeringen in 2025. In 2027 komt alles op kruissnelheid en is 80 procent dus 50 procent geworden. Dat geldt zowel voor onderhoudsgelden betaald aan partners als aan kinderen. Een derde maatregel is dat onderhoudsgelden betaald aan inwoners van landen buiten de Europese Economische Ruimte, de Afrikaanse landen bijvoorbeeld, niet meer aftrekbaar en niet meer belastbaar zullen zijn, vanaf de maand volgend op publicatie van de wet. Ook dat zal een grote besparing zijn.

De Raad van State vraagt zich af of de inwerkingtreding op lopende onderhoudsgelden geen buitensporige afbreuk van het vertrouwensbeginsel is. Bij het vastleggen van de alimentatie heeft de rechter of hebben de partijen veelal rekening gehouden met het fiscale regime. Wat kan de betaler netto aan en wat zou de ontvanger netto moeten incasseren? Zo komt een evenwicht tot stand. De familierechtbank kan met die aftrek en belastbaarheid ten belope van 80 procent rekening hebben gehouden om het bedrag vast te stellen. Zo houdt de rekentool voor kinderalimentatie van de familierechtbanken er rekening mee als de ouders informatie aanreiken. Dat kan ook het geval zijn geweest bij echtscheidingen met onderlinge toestemming. De onderhoudsbijdragecalculator van de Gezinsbond hield effectief rekening met 80 procent en was een inspiratie bij onderhandelingen.

Dat financiële evenwicht wordt nu abrupt verbroken door de wetswijziging. Bij de betaler daalt het netto beschikbaar vermogen. De alimentatie wordt een zwaardere last en de vraag is of iedereen die kan dragen. Onderhoudsuitkeringen zullen dus snel tegen het licht moeten worden gehouden en eventueel moeten worden herzien om de draagkracht te herstellen. Familierechters, houd u klaar.

The post ‘Terug naar de rechter met onderhoudsuitkeringen’ appeared first on Trends Kanaal Z.

☐ ☆ ✇ Trends

‘Terug naar de rechter met onderhoudsuitkeringen’

By: Koen Van Duyse

In het regeerakkoord staat dat de fiscale behandeling van onderhoudsuitkeringen zou worden gewijzigd. Het komt er nu snel aan, men werkt aan de teksten en de Raad van State heeft er zich al over gebogen. Wat is de stand van zaken?

Iemand die verplicht is op regelmatige basis onderhoudsuitkeringen te betalen, kan 80 procent van dat bedrag aftrekken van zijn inkomen. Bij de ontvanger van onderhoudsgelden zijn die bedragen voor 80 procent belastbaar. Dat is het aloude fiscale principe in de inkomstenbelastingen van de communicerende vaten: als iemand bepaalde kosten mag aftrekken, moet iemand anders de kosten aangeven. De bedoeling is dat dit ongeveer neutraal is voor de schatkist. Maar feitelijk is dat voor onderhoudsgelden vaak niet het geval.

Het onderhoudsgeld wordt dikwijls afgetrokken tegen 50 procent, verhoogd met gemeentebelasting, terwijl het effectief belast wordt tegen een veel lager tarief of zelfs niet belast wordt. De onderhoudsverplichting en de omvang ervan worden mee bepaald door de financiële draagkracht. De alimentatie wordt dus betaald door de financieel sterkere partij, terwijl de ontvanger minder verdient of zelfs niets verdient. Dat betekent dat de aftrek gebeurt tegen een hoger belastingtarief, terwijl de belastbaarheid gebeurt tegen een lager of zelfs een nultarief. Als studerende kinderen bijvoorbeeld een onderhoudsuitkering ontvangen en zij geen andere inkomsten hebben, genieten ze van de belastingvrije som die vaak hoger is dan de ontvangen alimentatie. De fiscale besparing is groot, de fiscale opbrengst is klein. Dat kost de begroting stukken van mensen, terwijl die gesaneerd moet worden.

Daarom zijn de regeringspartijen overeengekomen zowel de aftrekbaarheid, als de belastbaarheid te beperken en dat in dezelfde mate. Omdat de aftrek meer kost dan de belastbaarheid opbrengt, leidt een gelijke beperking van beide tot een grote besparing.

De alimentatie wordt een zwaardere last en de vraag is of iedereen die kan dragen.

De aftrek en de belastbaarheid van 80 procent wordt met ingang van dit jaar, gedurende drie jaar, trapsgewijs met 10 procent verminderd tot 50 procent. De eerste vermindering met 10 procentpunten zal dus al van toepassing zijn op de lopende onderhoudsuitkeringen in 2025. In 2027 komt alles op kruissnelheid en is 80 procent dus 50 procent geworden. Dat geldt zowel voor onderhoudsgelden betaald aan partners als aan kinderen. Een derde maatregel is dat onderhoudsgelden betaald aan inwoners van landen buiten de Europese Economische Ruimte, de Afrikaanse landen bijvoorbeeld, niet meer aftrekbaar en niet meer belastbaar zullen zijn, vanaf de maand volgend op publicatie van de wet. Ook dat zal een grote besparing zijn.

De Raad van State vraagt zich af of de inwerkingtreding op lopende onderhoudsgelden geen buitensporige afbreuk van het vertrouwensbeginsel is. Bij het vastleggen van de alimentatie heeft de rechter of hebben de partijen veelal rekening gehouden met het fiscale regime. Wat kan de betaler netto aan en wat zou de ontvanger netto moeten incasseren? Zo komt een evenwicht tot stand. De familierechtbank kan met die aftrek en belastbaarheid ten belope van 80 procent rekening hebben gehouden om het bedrag vast te stellen. Zo houdt de rekentool voor kinderalimentatie van de familierechtbanken er rekening mee als de ouders informatie aanreiken. Dat kan ook het geval zijn geweest bij echtscheidingen met onderlinge toestemming. De onderhoudsbijdragecalculator van de Gezinsbond hield effectief rekening met 80 procent en was een inspiratie bij onderhandelingen.

Dat financiële evenwicht wordt nu abrupt verbroken door de wetswijziging. Bij de betaler daalt het netto beschikbaar vermogen. De alimentatie wordt een zwaardere last en de vraag is of iedereen die kan dragen. Onderhoudsuitkeringen zullen dus snel tegen het licht moeten worden gehouden en eventueel moeten worden herzien om de draagkracht te herstellen. Familierechters, houd u klaar.

The post ‘Terug naar de rechter met onderhoudsuitkeringen’ appeared first on Trends Kanaal Z.

☐ ☆ ✇ Trends

‘We krijgen er een nieuw en moeilijk fiscaal bijgebouw bij: het lucratief belang’

By: Koen Van Duyse

Het blijft jammer dat aan ons fiscale huis een nieuw complex aanhangsel moet worden bijgebouwd, schrijft Koen Van Duyse.

In 1987 zette ik mijn eerste stappen in het belastingrecht. Vrijwel iedereen riep toen op om de inkomstenbelastingen te vereenvoudigen. Die roep werd met de jaren sterker, tot vandaag. Alle burgers verlangen naar een eenvoudig belastingstelsel. Alle politieke partijen roepen te pas, maar ook te onpas op om zo snel mogelijk in die richting te hervormen. De meeste regeerakkoorden, zo niet allemaal, bevatten een passage waarin vereenvoudigingen worden aangekondigd.

Ondertussen, bijna veertig jaar later, heb ik weinig vereenvoudiging gezien, op uitzonderingen na. Wel zag ik vaak het omgekeerde. Fiscale hervormingen zijn zoals woningrenovaties. Bouwkundig ingenieurs met gezond verstand pleiten eerder voor sloop en wederopbouw om een hedendaags en coherent geheel te realiseren. Daar komt men niet toe. De op één na beste optie zou het volledig strippen van het huis zijn. In realiteit verandert men enkel hier een daar wat en voegt men dingen toe om te eindigen in een mengelmoes van smaken en stijlen.

Carried interest of lucratief belang

We krijgen er nu een nieuw en moeilijk bijgebouw bij. De benaming alleen al: een carried-interest-regeling. In Nederland gebruikt men daar de term ‘lucratief belang’ voor. Dat is een techniek om managers van een onderneming die mee risico nemen, skin in the game, op een bijzondere manier te vergoeden. Er bestaan veel varianten van. Het komt er vaak op neer dat men een structuur opzet, gebruikmakend van bijzondere vehikels, waarbij de gewone investeerder een passend rendement realiseert en de manager van het ondernemingsproject minder hoeft te investeren, maar als beloning toch een hoger rendement kan halen.

Dat rendement kan vele vormen aannemen. Dividenden of intresten die belastbaar zijn tegen 30 procent. Of winst uit een aandelenoptieplan dat onderworpen is aan een specifiek fiscaal regime. Of via bonussen belastbaar tegen 50 procent. Of via een vergoeding voor de managementvennootschap belastbaar tegen 25 procent. Of een meerwaarde op aandelen, die belastingvrij blijft. Vooral die laatste vorm leidt tot nogal wat betwistingen, met rechtspraak die alle kanten uitgaat. Zo vindt de ene rechter dat het een belastbaar beroepsinkomen is, vermomd als belastingvrije meerwaarde. Een andere rechter vindt het een divers inkomen, belastbaar tegen 33 procent en nog een andere bevestigt de belastingvrijstelling.

Aan die onzekerheid wil men een einde maken. Het exceptionele deel van de winst dat aan de manager zal toevallen, dus dat wat hoger is dan wat een normale investeerder krijgt, zal worden belast als een roerend inkomen tegen 25 procent. Ook al is het een vergoeding voor prestaties, toch wordt het niet belast als arbeidsinkomen, maar als een roerend inkomen tegen een tarief dat lager is dan de 30 procent voor dividenden. Dat zou de concurrentiepositie van België verbeteren en daarom aanvaarden de linkse partijen een afwijking van hun verkiezingsslogan “een euro is een euro”.

Het is goed dat de regering-De Wever rechtszekerheid verschaft. Het blijft jammer dat aan ons fiscale huis een nieuw complex aanhangsel moet worden bijgebouwd. Het houdt niet op, het zal nooit ophouden. Albert Tiberghien schreef het in de jaren vijftig: “Het zal altijd complexer worden.”

In mijn vorige column gaf ik een tip aan minister van Financien Jan Jambon (N-VA). Ik geef er opnieuw een, in de vorm van een vraag. Waarom moet in de wet de Engelstalige term carried interest worden gebruikt, terwijl er een prachtig Nederlandstalig woord voor is: lucratief belang? U heeft in 2021 als vertegenwoordiger van het Comité van Ministers van de Taalunie de LOF-prijs der Nederlandse Taal ontvangen. Als u Engels vervangt door Nederlands, zou u consequent het Nederlands en haar Taalunie koesteren en promoten.

De auteur is partner van Tiberghien Advocaten

The post ‘We krijgen er een nieuw en moeilijk fiscaal bijgebouw bij: het lucratief belang’ appeared first on Trends Kanaal Z.

☐ ☆ ✇ Trends

Voordelen van alle aard: van bescherming naar vrijheidsbeperking

By: Koen Van Duyse

Deze regering gaat via de achterdeur de vrijheid beperken waar het niet nodig is, schrijft Koen Van Duyse.

Het regeerakkoord van de regering-De Wever stelt dat in de toekomst maximaal 20 procent van het jaarlijkse brutoloon van bedrijfsleiders uit voordelen van alle aard mag bestaan. De oorsprong van die grens ligt heel ver terug in de tijd, in de negentiende eeuw, maar het filosofische uitgangspunt is helemaal anders. Het meesterwerk Pieter Daens van Louis Paul Boon gaat over de strijd die de Franstalige, ultraconservatieve Aalsterse katholieke leider Charles Woeste voerde met de Vlaamsgezinde, sociaalbewogen katholieke activist Pieter Daens over de regulering van de arbeidsvoorwaarden. Boon beschrijft ook de negentiende-eeuwse wantoestanden rond de uitbetaling van loon in natura. Arbeiders werden betaald met kost en inwoon, of ze werden betaald met goederen die de onderneming zelf produceerde, zoals de dorpsbrouwer die zijn personeel betaalde met bier. Of ze ontvingen aankoopbonnen die ze uitsluitend in de winkel van hun werkgever konden gebruiken – de maaltijdcheque avant la lettre.

Onder druk van de sociale opstand in 1886 sprak de koning het parlement toe: “Mijn regering zal ontwerpen tot belangrijke hervormingen indienen. Men hoort namelijk de misbruiken te beteugelen die zich voordoen in het betalen van het werkloon.” Een van de eerste sociale wetten, die van 16 augustus 1887, beschermt de werknemers en verbiedt of beperkt het betalen van arbeiders met goederen of penningen die hun het recht gaven op goederen. In 1965 werd dat hernomen en geactualiseerd in de Loonbeschermingswet. Het loon moet dus in geld worden uitbetaald. Enkel wanneer betaling in natura gebruikelijk of wenselijk is door de aard van de sector of het beroep mag dat voor een deel in natura gebeuren. Dat deel mag nooit 20 procent van het brutoloon overschrijden. Tenzij een woonst ter beschikking wordt gesteld: dan mag het 40 procent bedragen.

Een sprong naar de fiscaliteit. Meer dan tien jaar geleden werden cafetaria- en warrantenplannen trending. Gewoon salaris wordt geruild voor extralegale voordelen die, niet toevallig, fiscaal gunstiger worden belast. De salariswagen kreeg sindsdien een flinke duw in de rug. In die periode zag ook de antimisbruikwetgeving het licht, waardoor de fiscale administratie verrichtingen kan negeren als die hoofdzakelijk tot doel hadden de belastingdruk te verlagen. Daarom legden werkgevers hun plannen voor aan de rulingcommissie: ze wilden zeker zijn dat een loonruil geen fiscaal misbruik is. De rulingcommissie kan zich daarin vinden onder één voorwaarde: de sociale wetgeving over betalingen in natura moest worden nageleefd. Dus geen omzetting voor meer dan 20 procent van het brutoloon. Dat is niet onlogisch. Een overheid kan de achterdeur toch niet opzetten nadat ze 150 jaar voordien sociaal de voordeur heeft dichtgetimmerd?

Iets zegt me dat de regeringspartijen zich door die rulingpraktijk hebben laten inspireren om de voordelen van alle aard voor bedrijfsleiders te beperken. Het is een aantal politieke partijen een doorn in het oog dat bedrijfsleiders hun bezoldiging in natura kunnen invullen en ze nemen de bekende beperking over, maar deze keer niet met een beschermende insteek. Dat is voor bedrijfsleiders ook niet nodig: zij zullen zichzelf niet benadelen en de vrijheid van ondernemen moet vooropstaan. Maar toch gaat deze regering via de achterdeur die vrijheid beperken waar het niet nodig is. Dat is een fundamenteel andere filosofie dan het beschermen van een zwakke partij.

Om te besluiten een ironische knipoog naar het regeerakkoord. Deze passage staat onder het hoofdstuk ‘Vereenvoudiging – afbouw stelsels en koterijen’, terwijl hier een regel wordt ingevoerd waar er nog geen bestaat. Er komt dus koterij bij.

The post Voordelen van alle aard: van bescherming naar vrijheidsbeperking appeared first on Trends Kanaal Z.

☐ ☆ ✇ Trends

Een tip voor minister Jan Jambon voor de wettekst over de meerwaardebelasting

By: Koen Van Duyse

Op het platform X poneer ik al meer dan tien jaar dat in dit land een fundamentele belastinghervorming slechts kan indien ze gepaard gaat met een staatshervorming en er via een fiscaal pact een maatschappelijk draagvlak wordt gecreëerd. Een hervorming met een omvangrijke vermindering van de belasting op arbeid zonder staatshervorming, zou het faillissement van enkele gewesten betekenen. En omdat de nieuwe regering geen tweederdemeerderheid heeft, komt er geen staatshervorming. Tot daar dus de veelomvattende belastinghervorming.

Een fundamentele hervorming vereist ook een maatschappelijk draagvlak. Een belastingverlaging op arbeid brengt zwaardere taxatie elders met zich. De ene tevreden, de andere ongelukkig. Dat wordt enkel geaccepteerd als zij die moeten inleveren belangrijke verbeteringen zien, bijvoorbeeld een serieuze algemene verlaging van de belastingen door besparing op de overheidsuitgaven of door structurele hervormingen.

Als we het regeerakkoord en de belastingverhogingen die daar worden aangekondigd, met op kop de meerwaardetaks van 0,5 miljard euro, tegen dat licht houden, lijkt de balans positief. Een belastingverlaging op arbeid van 4,3 miljard, en voor bedrijven van 1,5 miljard. Besparingen door structurele hervormingen in de werkloosheid, in de pensioenen, in de welvaartsenveloppe, op migratie en door een slankere overheid. Dat Marc Coucke, mede namens andere ondernemers, in De Afspraak verklaarde dat hij geen probleem heeft met de meerwaardetaks omdat er zo veel in ruil komt, is dus niet verwonderlijk. Ik denk inderdaad dat ondernemers als groep meer terugkrijgen dan wat wordt genomen. Als zij hun bedrijf verkopen, is de belasting 0 procent als de meerwaarde minder is dan 1 miljoen, iets meer dan 3 procent als de meerwaarde 10 miljoen is en 10 procent in het geval van meer dan 10 miljoen. Als pensioenspecialist kan ik zeggen dat mensen niet ongelukkig zijn met een tarief van 10 procent op hun aanvullend pensioen.

Meerwaardebelasting

Het is anders voor de particuliere spaarders-beleggers, al dan niet gepensioneerd, die de moeizaam verzamelde fondsen braaf beleggen in obligaties en aandelen. Die hebben minder redenen om gelukkig te zijn. Hun rendement uit meerwaarden wordt plots met 10 procent afgeroomd, weliswaar met een ‘voetvrijstelling’ van 10.000 euro. Voor het overige staat er voor hen niet zoveel tegenover. In de financiële planning scheelt dat een slok op de borrel. Het is nu wachten op de statistieken over hoeveel mensen dit gaat en over welke bedragen per belastingplichtige. Ik ben benieuwd.

Er wordt geopperd dat de regeling complex is. Ik betwist dat. De tekst zelf is wat de principes betreft, zeer duidelijk en eenvoudig. De vertaling naar wetteksten zal ongetwijfeld moeilijker zijn. Maar indien een goede fiscale wetgevingsspecialist dit voorbereidt en de interkabinettenwerkgroep er zich constructief over buigt, zal dat zeker lukken. Er worden vooral uitvoeringsproblemen opgeworpen. Die zijn er, maar ze zijn oplosbaar. Er moeten geen technieken uitgevonden worden. Een vrijstelling van 10.000 euro claimen is niet anders dan de jaarlijkse vrijstelling van 833 euro voor dividenden claimen. De verwerking van buitenlandse meerwaarden is niet anders dan buitenlandse dividenden aangeven. Historische meerwaarden bepalen is ongetwijfeld moeilijker, maar dat gebeurt nu ook dagelijks bij de vleet. Dat is trouwens een uitdovend probleem.

We geven minister Jan Jambon tot slot een tip mee. Bij mijn weten staat de term ‘voetvrijstelling’ nergens in de fiscale wetgeving . Toch zegt het regeerakkoord dat er een voetvrijstelling van 10.000 euro zal gelden. Welnu, heel lang geleden stond in het Wetboek van Successierechten een artikel 54: “Hetgeen verkregen wordt door een gehandicapte persoon wordt aan de voet vrijgesteld…”. Ziedaar, minister Jambon, een deel van de wettekst krijgt u hier al cadeau.

De auteur is partner bij Tiberghien Advocaten

The post Een tip voor minister Jan Jambon voor de wettekst over de meerwaardebelasting appeared first on Trends Kanaal Z.

❌