FreshRSS

🔒
❌ About FreshRSS
There are new articles available, click to refresh the page.
☐ ☆ ✇ Data News

De vijfde generatie staat klaar bij Comme chez Soi: ‘Het is een ontzettende eer om dit te mogen voortzetten’

By: Marlies Beckers

Je hoeft geen fervente restaurantganger te zijn om Comme chez Soi te kennen. Het iconische Brusselse restaurant staat maar liefst 73 jaar onafgebroken in de Michelin-gids en viert deze maand zijn honderdste verjaardag​​​​. De vijfde generatie wordt klaargestoomd om de leiding over het familiebedrijf over te nemen.

The post De vijfde generatie staat klaar bij Comme chez Soi: ‘Het is een ontzettende eer om dit te mogen voortzetten’ appeared first on Trends.be.

☐ ☆ ✇ Trends

De vijfde generatie staat klaar bij Comme chez Soi: ‘Het is een ontzettende eer om dit te mogen voortzetten’

By: Marlies Beckers

Je hoeft geen fervente restaurantganger te zijn om Comme chez Soi te kennen. Het iconische Brusselse restaurant staat maar liefst 73 jaar onafgebroken in de Michelin-gids en viert deze maand zijn honderdste verjaardag​​​​. De vijfde generatie wordt klaargestoomd om de leiding over het familiebedrijf over te nemen.

The post De vijfde generatie staat klaar bij Comme chez Soi: ‘Het is een ontzettende eer om dit te mogen voortzetten’ appeared first on Trends.be.

☐ ☆ ✇ Trends

Braziliaanse koffieboeren doen aan regeneratieve landbouw: ‘De natuur moet onze grootste aandeelhouder zijn’

By: Marlies Beckers

De klimaatverandering speelt de koffietelers in Brazilië parten. Om het hoofd te bieden aan die uitdagende omstandigheden zetten steeds meer boeren de stap naar regeneratieve landbouw. Ze krijgen daarbij de steun van koffiemerken als Nespresso. “Om andere resultaten te krijgen, moet je andere dingen doen.”

Koffie wordt vaak als een banale commodity beschouwd. Toch is koffie niet zomaar koffie. Net zoals bij wijn zijn de terroir en het klimaat belangrijk voor de smaak. Koffie is de boon van een bes die groeit aan een boom. Die vrucht wordt na de oogst gefermenteerd en gedroogd tot een groene boon, en geëxporteerd. Het is pas de koffiehandelaar die de boon zal branden tot de bruine boon die we kennen.

Koffieplanten groeien in de tropische en subtropische delen van de koffiegordel, 30 graden boven en onder de evenaar. Bekende producerende landen zijn Colombia en Ethiopië, met als koploper Brazilië. Het merendeel van de teelt wordt aangekocht via traders en belandt in blends van grote koffiemerken. De koffie moet altijd hetzelfde smaken en dus gaan grote internationale spelers op zoek naar koffies die telkens dezelfde smaak evenaren. Hoe groter het volume wordt, hoe meer massaproductie er nodig is en hoe meer de prijs onder druk kan komen.

Met single-origin-koffies benadrukken merken dat de smaak verschilt per land. Zo heeft koffie uit Brazilië doorgaans een romige, volle body met toetsen van chocolade en noten, en is Ethiopische koffie veel floraler met uitgesproken zuren. En net als bij wijn proeft elke koffie anders per regio en zelfs per plantage. “Grote merken als Nespresso moeten consistentie bieden”, vertelt Julie de Ferron, public relations director bij Nespresso Global. “Voor de single origins blenden we de koffie per land, voor andere koffierecepten blenden we over de landsgrenzen heen. We werken alleen samen met koffieboeren van wie het teelproces beantwoordt aan drie parameters: kwaliteit, duurzaamheid en traceerbaarheid. Daarom koopt Nespresso geen koffie op de wereldmarkt en hebben we samen met Rainforest Alliance het AAA Sustainable Quality-programma opgezet. Zo kunnen we een partnerschap opbouwen met de telers.” Het merk startte dat programma op in 2003 met 300 boeren in Costa Rica. Op dit moment staat de teller op 168.500 boeren. 95 procent van de telers met wie Nespresso wereldwijd samenwerkt, neemt deel aan dat programma.

Andere acties

Brazilië telt naar schatting tussen 220.000 en 300.000 plantages, waarvan Nespresso met 1.300 samenwerkt. In de regio Cerrado Mineiro in Minas Gerais, de belangrijkste provincie voor koffieteelt in Brazilië, bezoeken we twee plantages, die zo’n 40 procent van hun productie verkopen aan Nespresso. Marcelo Urtado en zijn vrouw Paula Curiacos begonnen in 2016 hun koffieplantage Três Meninas met een oppervlakte van 50 hectare. Urtado heeft meer dan 130 jaar koffieteelt in de aders, maar zijn voorouders en hij zijn al vier keer verhuisd naar een andere regio om koffie te telen. “De klimaatverandering doet ons voortdurend van locatie veranderen”, vertelt hij.

‘Ik wil het geheugen van de bodem herstellen. Probeer je de bodem voor te stellen als je maag. Hoe chemischer, hoe belastender’

Marcelo Montanari, koffieboer

Die voortdurende zoektocht naar vruchtbaar land deden Urtado en Curiacos ook beseffen dat een andere manier van koffieteelt zich opdrong. “Om andere resultaten te krijgen, moet je andere dingen doen”, vertelt Paula Curiacos. “Toen we hier aankwamen, troffen we een conventionele boerderij aan met alleen maar gras. Er was jarenlang met pesticiden gewerkt, de biodiversiteit was klein en de bodem arm. We hebben beslist dat de natuur onze grootste aandeelhouder moest zijn. Dat bracht ons als vanzelf bij regeneratieve landbouw. We zijn begonnen met het redden van de grond en deden daarvoor een beroep op de wetenschappelijke kennis die we voordien hadden vergaard.” Het koppel leerde elkaar kennen aan de universiteit van São Paulo. Marcelo specialiseerde zich in milieutechnologie, Paula is landbouwingenieur. Ze woonden eerst een tijdje op Urtado’s familieboerderij, maar al gauw ontstond een dispuut tussen de generaties. “Mijn vader werkte erg traditioneel. Hij liet het onkruid al wel staan tussen de koffiebomen, maar begreep de rest van onze ideeën niet.”

Dat klinkt Marcelo Montanari van de koffieplantage Montanari, met een oppervlakte van 200 hectare, bekend in de oren. Hij is de vierde generatie van een familie koffietelers. “Mijn betovergrootouders verhuisden uit Italië naar hier. Zij voelden nog de sporen van de toen net beëindigde slavernij. Hard werken en uitvoeren was toen normaal. Boeren dachten vooral op korte termijn.” Hij pakte het anders aan en doet al tien jaar – zonder zich bewust te zijn van de term – aan regeneratieve landbouw. Zo maakt Montanari zijn eigen natuurlijke bestrijdingsmiddelen en meststoffen. In een gigantisch waterreservoir borrelt het van de micro-organismen en de enzymen. “Die voegen we toe aan de grond, zodat het er opnieuw krioelt van het leven.”

Daarnaast maakt Montanari zijn eigen compost met onder meer koffiepulp, koeienmest en plantaardig afval. “Ik wil het geheugen van de bodem herstellen. Probeer je de bodem voor te stellen als je maag. Hoe chemischer, hoe belastender.” Montanari gebruikt slechts 25 procent synthetische meststoffen. Die zijn nodig om het tekort aan nitrogeen te compenseren. “Door natuurlijker te werken heb ik mijn totale bemesting verminderd met een kwart. Het idee daarachter is dat je de plant versterkt door zijn natuurlijke immuunsysteem te verhogen in plaats van alles wat slecht én goed is op de plant kapot te spuiten.”

Temperatuurverschil

Het is september, de winter loopt op zijn einde in Brazilië. Toch is het kurkdroog. “Het regent hier almaar minder en de temperaturen schieten de hoogte in”, legt Paula Curiacos uit. “Water langer vasthouden is één manier om die omstandigheden het hoofd te bieden”, vult Marcelo Montanari aan. “Maar we moeten ook proberen weerbaardere planten te kweken. Niet door genetische manipulatie, wel door slim te kruisen. En door meer bomen aan te planten, die ook zorgen voor schaduw. Zo zetten wij in op mahoniebomen, die erg groot worden en minder in concurrentie gaan met de koffieplanten om nutriënten uit de bodem te halen. Nadien leveren ze waardevol hout op.” Ook Três Meninas plant grote bomen voor schaduw. “Sommige collega’s begrijpen niet dat we op die ruimte geen koffieplanten zetten. Zij zien niet in dat zich dat later dubbel en dik terugbetaalt, onder meer doordat er minder irrigatie nodig is”, vertelt Curiacos.

Een koffieplantage stelt tot tien keer meer mensen te werk dan een sojaplantage van een vergelijkbare oppervlakte en creëert tot vijf keer meer financiële return.

De boeren houden de bodem onder meer vochtig met bodembedekkers die water absorberen en vasthouden, waardoor er ook minder kans is op aardverschuivingen. Zowel op de plantage van Montanari als Três Meninas spotten we tussen alle koffieplanten verdorde plantjes en bladeren. “We laten ze liggen en planten in het voorjaar nieuwe aan”, legt Montanari uit. “Elke plant heeft andere eigenschappen en functies. De ene kan 250 kilo nitrogeen per hectare uit de bodem halen, de andere vangt potasium. Je kiest zelf de plantenmix die je nodig hebt op basis van de diagnose die je maakt van de bodem. Dat kan verschillen per seizoen. En er zijn nog andere voordelen. Zo trek je verschillende micro-organismen aan – denk aan bacteriën en schimmels die nieuwe nutriënten in de bodem brengen, en vogels en insecten. De voeding die de plant krijgt, proef je uiteindelijk in de koffie.”

‘Regeneratieve landbouw is een spier die je moet trainen en die je leert na te denken over de bodem, de voeding en het klimaat’

Marcelo Urtado, koffieboer

Als ik met mijn vingers in de grond woel tussen de rijen met koffieplanten en daarbuiten, is het temperatuurverschil groot. Zelfs onder de nu verdorde bodembedekkers is het amper 27 graden, tegenover 42 graden buiten de rijen koffiebomen. “Door al die begroeiing ziet het er in de zomer erg wild uit en het is soms lastig om je voeten neer te zetten, maar daarom draag je hoge laarzen. Dat is meteen ook handig tegen slangen (lacht). Dankzij het microklimaat dat we zo creëren, kun je efficiënter en sneller werken, waardoor het ook financieel interessanter wordt”, legt Paula Curiacos uit.

Meer opbrengst

Toch durven veel boeren de stap naar regeneratieve landbouw niet te zetten vanwege de kosten. Ironisch, want de productiviteit van beide boerderijen ligt 55 procent hoger dan het gemiddelde in Brazilië. “Uiteraard kost het je eerst tijd en geld”, licht Marcelo Urtado toe. “Maar je verandert niet van vandaag op morgen. We zien vaker bodembedekkers opduiken, maar een volledige mentaliteitsverandering vraagt tijd. Regeneratieve landbouw is een spier die je moet trainen en die je leert na te denken over de bodem, de voeding en het klimaat. Door onze wetenschappelijke achtergrond steken we veel tijd in onderzoek en samenwerkingen met universiteiten. Die kennis willen we graag delen.”

Naast de economische en klimatologische impact speelt de koffieteelt ook een sociale rol. De teelt is een bron van inkomsten voor 180.000 à 220.000 Braziliaanse families. Opvallend: een koffieplantage stelt tot tien keer meer mensen te werk dan een sojaplantage van een vergelijkbare oppervlakte en creëert een tot vijf keer hogere financiële return. Daarnaast zorgt de teelt ook voor een omgekeerde vlucht van de stad naar het platteland. De koffieboeren produceren niet alleen de bonen, ze laten ze ook fermenteren – al dan niet met schil er nog aan – en drogen. Dat laatste gebeurt bij Três Meninas zowel op beton als op Afrikaanse bedden. “Sommige consumenten hebben een romantisch beeld van die bedden, maar eigenlijk zijn die vooral belangrijk als het vochtig is, want dan kan de lucht onderaan de koffieboon”, licht Curiacos toe. De manier van verwerken bepaalt Três Meninas in functie van de bonen en de wensen van de klant.

En de toekomst? Die is voorbestemd aan de vrouwen van de familie. Zowel bij Três Meninas – de naam ‘drie meisjes’ verwijst naar Paula en de twee dochters Malu en Fernanda – als bij Montanari staat de volgende generatie al klaar, en die is vrouwelijk. Dat is niet vanzelfsprekend, weet Paula Curiacos uit ervaring: “Ik heb ooit letterlijk de vraag gekregen: ‘Wat is jouw meerwaarde tegenover een man? Want als je hetzelfde kunt, neem ik liever een man aan.’” Ook Marcelo Montanari begrijpt dat: “Toen ik op de landbouwschool zat, was van de tachtig studenten slechts één vrouw. Vandaag bestaat de klas van mijn dochter voor de helft uit vrouwen. Ik ben dan ook heel trots dat Marianna de aanvoerder is van de organisatie National Commission of Women in Agribusiness.”

‘Van netto-uitstoter naar netto-absorbeerder’

Bedrijven als Nespresso liggen vaak onder vuur vanwege de capsules. Maar 39 procent van de ecologische voetafdruk van koffie komt van de koffieteelt. Het is dus bij de boeren dat er nog veel marge te halen valt. “Via ons AAA Sustainable Quality-programma begeleiden we boeren om over te stappen naar regeneratieve landbouw. Zo willen we tegen 2050 evolueren van een netto-uitstoter naar een netto-absorbeerder. Het is niet alleen de bedoeling dat de telers hun uitstoot verlagen, maar dat ze ook hun capaciteit verhogen om koolstof op te slaan in de bodem en in bomen”, vertelt Julie de Ferron van Nespresso. Om boeren te motiveren om te blijven participeren aan AAA-programma, betaalt Nespresso voor die koffie een hogere prijs dan de wereldmarktprijs.
En de capsules dan? Dankzij een partnerschap tussen Nespresso, Nestlé, JDE Peet’s, Delhaize en Fost Plus mogen alle capsules sinds 1 januari 2023 bij het pmd-afval. In september 2024 lanceerde het Zwitserse koffiemerk een proefproject met capsules op basis van papier, die je thuis kunt composteren. Nespresso blijft onderzoek doen naar de beste manier om duurzaam te zijn, zonder dat de koffie inboet aan smaak. Het bedrijf is B Corp-gecertificeerd en behaalde een score van 84,3/200. 80 is het minimum, 100 is heel uitzonderlijk.

The post Braziliaanse koffieboeren doen aan regeneratieve landbouw: ‘De natuur moet onze grootste aandeelhouder zijn’ appeared first on Trends.

☐ ☆ ✇ Trends

De ultieme smaakmaker: waarom modecafés en food collabs zo populair zijn

By: Marlies Beckers

Frietjes van Saint Laurent, taartjes van Prada en pretzels van Celine. De gecureerde modecafés en food collabs rijzen als paddenstoelen uit de grond. En dat is zo gek nog niet.

Toegeven, als überfoodie rol ik ervan met mijn ogen. Samenwerkingen waarvan het commerciële motief er letterlijk afdruipt, zoals de grote klompen boter met ‘Jacquemus’ in geprint of de ijsblokjes met smeltende Miu Miu-letters. Wie trapt daarin? Want: hoe goed zal het eten echt zijn? Maar toen afgelopen zomer ook het Belgische luxelederwarenhuis Delvaux op de foodkar sprong, raakte ik geïntrigeerd. En al zeker omdat het de handen in elkaar sloeg met het prestigieuze vijfsterrenhotel Botanic Sanctuary in Antwerpen.

Unieke ervaring bij Delvaux

De vraag is: wat wil je proeven als je aan een merk denkt? “Je vindt nooit één partner die smaakt als Delvaux”, stelt Julie Verlinden, chief commercial officer bij Delvaux. “Daarom zijn we voor dit pop-upcafé op zoek gegaan naar een partner met dezelfde waarden: verrassing, innovatie en design. Daarnaast hebben we gekeken naar het momentum dat we wilden creëren met de focus op een bepaalde collectie.”

Henry’s Bar, het eigen restaurant van Botanic Sanctuary, sloot daarop aan. De gerechten werden niet op maat gemaakt voor Delvaux, maar wel subtiel aangepast. De florale elementen uit de art-nouveaucollectie van Delvaux met als thema ‘natuur’ worden weerspiegeld in bloemblaadjes en kruiden op de doorgaans Belgische gerechten, zoals tomaat-garnaal, om de link met onze nationale trots te leggen.

Toppatissier Roger van Damme ontwikkelde speciaal voor de gelegenheid wel een chocoladen equivalent van de Brillant. “Een zware Franse keuken had niet gepast bij ons thema. Je gaat dan als merk ook niet op zoek naar zo’n stijl, want dan zou je te veel moeten laten aanpassen. Dan mis je de authenticiteit van de zaak en ondermijn je ook je eigen geloofwaardigheid”, verklaart Verlinden.

Delvaux, de chocoladen Brillant van Roger van Damme voor Delvaux

Ook het café werd volledig geïntegreerd in het hotel, waarbij de RAL-kleur van de zetels zelfs overgenomen werd voor de op maat gemaakte kussens van Delvaux. “Dat de details moesten kloppen, maakte net deel uit van de totaalervaring. Gewoon ons logo overal op kleven, zou te plat en te commercieel zijn. We wilden het veel subtieler doen. Het moest een immersie worden”, gaat Verlinden verder. Een hotel zoals Botanic Sanctuary vormt daarin ook de logische partner, omdat het exact het cliënteel aantrekt dat Delvaux wil.

“80 procent van onze gasten is hier voor leasure en dan vooral in de luxueuze sfeer”, zegt Christian Hirst, de algemeen directeur van Botanic Sanctuary. “Wie hier blijft slapen, is én geïnteresseerd in fine dining én in mode én in cultuur. Dat is allemaal met elkaar verbonden. Door het te blenden met elkaar kun je een ervaring realiseren die een traditionele winkel overstijgt. Mensen kunnen vandaag alles krijgen met één simpele klik, ze willen dus iets wat ze zelf niet kunnen samenstellen. Dat soort ervaringen moeten wij aanbieden in de luxe-industrie. In zowel mode als gastronomie draait het om het creëren van die emotie.”

Tastbare over de top luxe

Ook haute-couturemerken zoals Dior en Louis Vuitton handhaven die duidelijke luxestrategie, hoewel zij wel kiezen voor permanente restaurants. Louis Vuitton opende in december 2024 een prachtig café in zijn winkel in Bangkok en ging een partnerschap aan met de beste chef van Azië: Gaggan Anand (benoemd door The World’s 50 Best Restaurants). In dat verbluffend knappe interieur keert het iconische monogram op verschillende manieren terug en tekent de lichtinval regenbogen op de tafel. Elk seizoen wijzigt Gaggan het menu in functie van de kleurenpallet van het modehuis. Daarbij blijft hij echter wel trouw aan zijn keukenstijl, hetzij iets braver.

Louis Vuitton

Dior pakte het nog indrukwekkender aan en bedekte zijn volledige gevel van 15 meter hoog in een laag goud, zo fonkelend dat je er niet langer dan vijf seconden naar kunt kijken, met binnenin dat Gold House – een feeëriek interieur met dieren, planten en bomen, haarfijn uitgekerfd in bamboe door een lokale kunstenaar. Hier kun je naar blijven staren, zo mooi. Het menu van de tearoom met bijbehorende exquise gebakjes is van de hand van de driesterrenchef Mauro Colagreco van Mirazur in Frankrijk. Dat beide modehuizen zo groots uitpakken in de Thaise hoofdstad, heeft ongetwijfeld te maken met het torenhoge toerismecijfer.

Het Gold House van Dior

Maar een ander element dat meespeelt, is de toegankelijkheid van het concept. “Ons merk mag dan exclusief zijn, we willen inclusief zijn voor iedereen. Dat is niet altijd eenvoudig, maar horeca leent zich daar perfect toe. Niet iedereen kan een handtas van 2.000 euro kopen, maar je kunt wel voor 18 euro een koffie met een taartje nemen en ondergedompeld worden in een volledige Delvaux-ervaring”, vertelt Verlinden.

Café Dior
Café Dior

Verhalenvertellers

Het statige Burberry gaat in het laagdrempelig maken van zijn imago nog zelfs een stap verder, met een strategie die zich duidelijk richt op een jong doelpubliek. Toch verloochent dat merk zijn waarden niet en focust het net op het Britse erfgoed waarin het merk zo diep geworteld zit. Het ging een samenwerking aan met het hippe Norman’s Café in Londen, dat helaas deze zomer de deuren sloot. Norman’s bracht een ode aan Britse gerechten, heel rechttoe, rechtaan op banale witte bordjes. Tijdens de London Fashion Week in 2023 hield Burberry een take-over van Norman’s, wat onder meer leidde tot two eggs and chips op een bordje mét het Burberry-riddertje op het paard.

Burberry

De link tussen het logo en dat oer-Britse ontbijt werkte wonderwel. Niet enkel verwijst Burberry daarmee naar zijn 169 jaar oude erfgoed, het toont ook een zekere speelsheid en zelfs wittiness, net zo kenmerkend aan de Britten.

Maar of een modemerk zich verbindt aan eenzelfde soort partner of net de ironie opzoekt in het contrast, het draait om het creëren van een verhaal. Mode en gastronomie delen zowel ambacht als creativiteit, met dat verschil dat eten tastbaarder is. Het is echt en concreet. Maar goed eten is even zeldzaam als haute couture.

Naast restaurants spelen ook speciaalzaken in op de eeuwenoude marketingtechniek die schaarste is. Niet per se gewild. Denk aan de populaire microzuurdesembakkerij Bob, die afgelopen voorjaar opende in Knokke-Heist. Het motto luidt: ‘Small batch, gone fast’, een realiteit van eerlijk ambacht, maar onbewust zet het daarmee ook zijn authenticiteit in de verf. Wil je mee zijn? Zet dan je wekker. Want je koopt niet enkel voor enkele euro’s een ervaring, maar bovenal toon je dat je kennis én smaak hebt. Je weet waarover je praat.

Of neem de hype rond de Parijse toppatissier Cedric Grolet, waar horden jonkies nu de Mona Lisa links laten liggen en met de gsm in de aanslag Grolets sensuele handelingen willen vastleggen en aan de wereld tonen dat ze hém gezien hebben. Food als statussymbool dus. Ironisch genoeg brengt ons dat van de post-covidtijd, waarin de prijzen van winkelkarren de pan uit rijzen en de vraag naar eerlijk en lokaal eten groeit, weer terug naar de zeventiende-eeuwse schilderijen waar exotische producten de welvaart van de geportretteerde aantoonden. Maar anders dan toen maakt behalve wat je eet ook waar je eet nu deel uit van je identiteit. Chefs zijn nog meer dan ooit rocksterren en hebben een gigantische following. Bij sommige restaurants is het bemachtigen van een tafeltje een even grote verwezenlijking als binnen raken op Tomorrowland. Met uiteraard dat ene doel: zien en gezien worden… online.

‘We zoeken naar kleinere en – letterlijk – behapbare manieren van luxe’

En dat fenomeen is dus ook de mode-industrie niet ontgaan. Als dan de brug gemaakt wordt naar een vrijwel onbereikbaar modemerk, krijg je als vanzelf een wachtrij en de felbegeerde sociale buzz. Er is niets dat beter werkt op Instagram en TikTok dan food. Eten en drinken is multisensorisch en een van de weinige ervaringen die relatief makkelijk getransporteerd kan worden naar het scherm. In de wereld van vandaag, waarin een eigen huis vrijwel onbetaalbaar werd, zoeken we naar kleinere en – letterlijk – behapbaardere manieren van luxe. We willen erbij horen en liefst met iets waarvan iedereen begint te watertanden. Op dat gevoel van schaarste spelen modehuizen handig in met eten als universele taal.

Tastbare over de top luxe

Ook haute-couturemerken zoals Dior en Louis Vuitton handhaven die duidelijke luxestrategie, hoewel zij wel kiezen voor permanente restaurants. Louis Vuitton opende in december 2024 een prachtig café in zijn winkel in Bangkok en ging een partnerschap aan met de beste chef van Azië: Gaggan Anand (benoemd door The World’s 50 Best Restaurants). In dat verbluffend knappe interieur keert het iconische monogram op verschillende manieren terug en tekent de lichtinval regenbogen op de tafel. Elk seizoen wijzigt Gaggan het menu in functie van de kleurenpallet van het modehuis. Daarbij blijft hij echter wel trouw aan zijn keukenstijl, hetzij iets braver.

Dior pakte het nog indrukwekkender aan en bedekte zijn volledige gevel van 15 meter hoog in een laag goud, zo fonkelend dat je er niet langer dan vijf seconden naar kunt kijken, met binnenin dat Gold House een feeëriek interieur met dieren, planten en bomen, haarfijn uitgekerfd in bamboe door een lokale kunstenaar. Hier kun je naar blijven staren, zo mooi. Het menu van de tearoom met bijbehorende exquise gebakjes is van de hand van de driesterrenchef Mauro Colagreco van Mirazur in Frankrijk. Dat beide modehuizen zo groots uitpakken in de Thaise hoofdstad, heeft ongetwijfeld te maken met het torenhoge toerismecijfer.

Maar een ander element dat meespeelt, is de toegankelijkheid van het concept. “Ons merk mag dan exclusief zijn, we willen inclusief zijn voor iedereen. Dat is niet altijd eenvoudig, maar horeca leent zich daar perfect toe. Niet iedereen kan een handtas van 2.000 euro kopen, maar je kunt wel voor 18 euro een koffie met een taartje nemen en ondergedompeld worden in een volledige Delvaux-ervaring”, vertelt Verlinden.

Verhalenvertellers

Het statige Burberry gaat in het laagdrempelig maken van zijn imago nog zelfs een stap verder, met een strategie die zich duidelijk richt op een jong doelpubliek. Toch verloochent dat merk zijn waarden niet en focust het net op het Britse erfgoed waarin het merk zo diep geworteld zit. Het ging een samenwerking aan met het hippe Norman’s Café in Londen, dat helaas deze zomer de deuren sloot. Norman’s bracht een ode aan Britse gerechten, heel rechttoe, rechtaan op banale witte bordjes. Tijdens de London Fashion Week in 2023 hield Burberry een take-over van Norman’s, wat onder meer leidde tot two eggs and chips op een bordje mét het Burberry-riddertje op het paard.

De link tussen het logo en dat oer-Britse ontbijt werkte wonderwel. Niet enkel verwijst Burberry daarmee naar zijn 169 jaar oude erfgoed, het toont ook een zekere speelsheid en zelfs wittyness, net zo kenmerkend aan de Britten.

Maar of een modemerk zich verbindt aan eenzelfde soort partner of net de ironie opzoekt in het contrast, het draait om het creëren van een verhaal. Mode en gastronomie delen zowel ambacht als creativiteit, met dat verschil dat eten tastbaarder is. Het is echt en concreet. Maar goed eten is even zeldzaam als haute couture.
Naast restaurants spelen ook speciaalzaken in op die eeuwenoude marketingtechniek die schaarste is. Niet per se gewild. Denk aan de populaire microzuurdesembakkerij Bob, die afgelopen voorjaar opende in Knokke-Heist. Zijn motto luidt: ‘Small batch, gone fast’, een realiteit van eerlijk ambacht, maar onbewust zet het daarmee ook zijn authenticiteit onbewust in de verf. Wil je mee zijn? Zet dan je wekker. Want je koopt niet enkel voor enkele euro’s een ervaring, maar bovenal toon je dat je kennis én smaak hebt. Je weet waarover je praat.

Of neem de hype rond de Parijse toppatissier Cedric Grolet, waar horden jonkies nu de Mona Lisa links laten liggen en met de gsm in de aanslag Grolets sensuele handelingen willen vastleggen en aan de wereld tonen dat ze hém gezien hebben. Food als statussymbool dus. Ironisch genoeg brengt ons dat van de post-covidtijd, waarin de prijzen van winkelkarren de pan uit rijzen en de vraag naar eerlijk en lokaal eten groeit, weer terug naar de zeventiende-eeuwse schilderijen waar exotische producten de welvaart van de geportretteerde aantoonden. Maar anders dan toen maakt behalve wat je eet ook waar je eet deel uit van je identiteit. Chefs zijn nog meer dan ooit rocksterren en hebben een gigantische following. Bij sommige restaurants is het bemachtigen van een tafeltje een even grote verwezenlijking als binnen raken op Tomorrowland. Met uiteraard dat ene doel: zien en gezien worden… online.

En dat fenomeen is dus ook de mode-industrie niet ontgaan. Als dan de brug gemaakt wordt naar een modemerk dat vrijwel onbereikbaar is, krijg je als vanzelf een wachtrij en de felbegeerde sociale buzz. Er is niets dat beter werkt op Instagram en TikTok dan food. Eten en drinken is multisensorisch en een van de weinige ervaringen die relatief makkelijk getransporteerd kan worden naar het scherm. In de wereld van vandaag, waarin een eigen huis vrijwel onbetaalbaar is geworden, zoeken we naar kleinere en – letterlijk – behapbaardere manieren van luxe. We willen erbij horen en liefst met iets waarvan iedereen begint te watertanden. Op dat gevoel van schaarste spelen modehuizen handig in met eten als universele taal.

Meer lezen

The post De ultieme smaakmaker: waarom modecafés en food collabs zo populair zijn appeared first on Trends.

☐ ☆ ✇ Trends

Dubai voor foodies: hoe de stad zich als gastronomische trekpleister profileert

By: Marlies Beckers

Van de hoogste toren, Burj Khalifa, tot het grootste winkelcentrum en het spectaculairste waterpark. Van al dat larger than life gebruis kan een mens wel eens honger krijgen. Als toeristische trekpleister kon de gastronomie in Dubai niet achterblijven.

Net zoals in de jaren vijftig werd gestart aan de bouw van een volledig nieuwe stad in een droog stuk woestijn, kunnen toprestaurants ook ontstaan in een cultuur waar eten sinds oudsher gedeeld en plat gekookt werd, en pitta het bekendste nationale gerecht is. Of zoals Dubai’s founding father sjeik Mohammed Bin Rashid Al Makoum stelt: “We do not wait for things to happen, rather we make them happen.” Omdat de bewoners van Dubai zelf geen ervaring met gastronomie hadden, werden eerst internationale sterrenchefs aangetrokken. Grote namen zoals Heston Blumenthal en Gordon Ramsay uit Londen, Yannick Alléno en Anne-Sophie Pic uit Frankrijk en José Avillez uit Lissabon openden nieuwe vestigingen van hun restaurant in een van de ettelijke chique hotels die het emiraat intussen telt.

Als ik links en rechts de vraag stel of de chefs betaald werden om hier een zaak te openen, blijft het antwoord vaag. Wel stelt Nathalie Van de vrede, al vijftien jaar gids in Dubai, dat de regio veel projectontwikkelaars aantrekt die eigenaar zijn van de hotels, en dus is het ook in hun voordeel dat die zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt worden. Een chef die al wat sterren op zijn palmares heeft in het gastronomisch gereputeerde Westen, kan daarbij helpen. “Daarnaast zijn in Dubai ook heel wat expats aan de slag die het gewend waren aan de grootste tafels ter wereld te dineren. Als je als stad wilt meetellen, moet je dat ook kunnen aanbieden.”

Een eigen Michelin-gids

Enter Michelin in 2022. Want om serieus genomen te worden als gastronomische stad, heb je Michelinsterren nodig. Intussen is bekend dat nieuwe bestemmingen waar de befaamde Franse rode gids nog niet actief is, Michelin betalen om erin opgenomen te worden. Kwatongen beweren dat de gids daarom milder is in die regio’s en hoewel Michelin nooit in zijn kaarten laat kijken, zijn de inspecteurs stellig over hun aanpak: elk restaurant wordt door een onafhankelijk team van internationale inspecteurs bezocht. In de recentste Michelin-gids, die uitkwam in mei dit jaar, stond de teller voor Dubai op negentien, waaronder veertien eensterrenrestaurants, drie tweesterrenrestaurants en voor het eerst ook twee driesterrenrestaurants. Die eer viel te beurt aan Frantzén, waarvan het moederbedrijf, met eveneens drie sterren, zich bevindt in Stockholm, én Trèsind Studio, een restaurant zonder voorgeschiedenis elders dat heel erg eigen is aan Dubai. Restaurants zoals Trèsind zijn eigenlijk veel boeiender dan de westerse, want dat een westers restaurant dat zijn strepen al heeft verdiend in zijn thuisland, ook in Dubai hoge punten scoort, is knap, maar ook niet zo verrassend. Dat Trèsind Studio, waar een Indiase fine-diningkeuken geserveerd wordt, het hoogste goed behaald heeft, zegt veel over de ambitie van Dubai.

Fusion

“De Dubaise gastronomie is recent”, vertelt Solemann Haddad, een 29-jarig wonderkind, geboren en getogen in Deira, de ‘oudste’ wijk van Dubai. Hij leerde zichzelf koken uit kookboeken, opende drie jaar geleden Moonrise op het dak van het Eden House (inclusief skyline met adembenemende zonsondergang) en kaapte een jaar later een Michelinster weg. “Vele van die westerse restaurants hebben het pad geëffend voor een nieuwe generatie aan jonge Dubaise chefs, maar ze zijn niet gelinkt aan onze cultuur. Nu de gebouwen er eindelijk staan, wordt het tijd om een ziel in Dubai te stoppen. Hier komen alle nationaliteiten samen. Als je van Dubai bent, ben je eigenlijk ook niet echt van hier; je bent van overal. En dus kun je ook eten wat je wilt. Ik groeide op met burgers, noedels, pasta, biryani en shoarma. Ik kook niet fusion, ik bén fusion”, vertelt hij lyrisch.

Solemann Haddad

In mijn mond ontploft intussen een pani puri, een Indiaas balletje, gevuld met foie gras, dadel en chili-olie. Haddad vermengt zijn Frans-Syrische roots met de mengelmoes aan culturen en smaken in Dubai en laat zich daarbij nog het meest inspireren door Japan. Hij serveert een kleine toast van shokupan (Japans melkbrood) met 36 maanden gerijpte parmezaan en truffel; pasta met lokaal geteelde shiitake en een diep smakende kippenbouillon of wagyu met een Emirati-kruidenmix en shiso. Hij zet hoog in op techniek. Zo gebruikt hij de zoutzure saus uit het traditionele gerecht fattoush als leche de tigre in een ceviche met lokale horsmakreel. Zijn smaken zijn gedurfd en uitgesproken, maar toch nog herkenbaar en hebben een elegant comfortgevoel. Zo hoefde ik het madeleintje niet per se in het aardbeidessert te soppen, maar zorgde het wel voor veel sfeer aan de keukentoog, waar we met twaalf gasten rond zaten.

Van Aleppo tot awardwinnend streetfood

Ook de Orfali Bros zijn een authentiek begrip in Dubai. De drie Syrische broers schopten het met hun eigentijdse streetfood uit Aleppo tot het beste restaurant in de lijst van The World’s 50 Best-Middle East & North Africa. In tegenstelling tot bij Moonrise ziet de goegemeente je op deze benedenverdieping wél zitten en dus mag je geen alcohol drinken. Wat volgt, zijn huisbereide gefermenteerde drankjes op basis van kvass (gemaakt van graan), kombucha en cascara (van de schil van koffiebes) die hen terecht de award voor beste non-alcoholisch aanbod bij Gault&Millau opleverde.

‘Nu de gebouwen er eindelijk staan, wordt het tijd om een ziel in Dubai te stoppen’

Chef Solemann Haddad

De gerechten worden afgevuurd uit een keuken die zich uitstrekt over twee verdiepingen en zijn – zoals het de traditie betaamt – om te delen. Mohammed, de middelste van de broers naast Wassim en Omar, volgde een Frans klassieke koksopleiding in Syrië en belandde in Dubai om Engels te leren. Toen hij gevraagd werd om in een tv-programma gerechten uit Aleppo te bereiden, besefte hij algauw dat hij zijn eigen eetcultuur totaal niet kende.

Ook hij wil nu een ode brengen aan zijn roots. Foie gras wordt gepresenteerd op een staander in de vorm van een ganzenpoot, gevuld met kweepeerazijn en miso van hazelnoot, gevolgd door een monobite die de hele tafel stil krijgt: een umami eclair gevuld met een emulsie van paddenstoelen en marmite, afgewerkt met cacaonibs met daarover een dun laagje prosciutto. Tot slot steken de broers ook een middenvinger op naar iedereen die lacht met kebab door een wagyu-versie te maken en die te beleggen met kersen, pijnboompitten en kaneel. De muziek staat luid, de hippe locals schuiven de tafels bij elkaar. Een biertje had niet misstaan in dit populaire eetcafé, dat bekroond werd met een ster.

Zes smaken, geen vlees

Maar het meest verrassende restaurant blijkt Avatāra te zijn, met aan het hoofd chef Rahul Rana. Dat Indiase restaurant uit de stal van Trèsind Studio blendt de zes smaken uit de ayurveda in één wervelend achtttiengangenmenu. Wat volgt, is net als in een sprookje uit duizend-en-een nacht. Felgekleurde amuses liggen als minuscuul uitgewerkte petit-fours te pronken op een etagère die baadt in de rook. Elk hapje is gedrapeerd als een bloem en representeert een rasa (smaak of gemoedstoestand): zoet, scherp, wrang, zout, bitter en zuur. Maar ik proef onder meer melkschuim met saffraan, zoete aardappel met kafferlimoen en curry van rauwe mango. Avatāra is het enige vegetarische finedining eensterrenrestaurant van Dubai en met gerechten zoals gegrilde watermeloen met ingelegde nectarine en tomatenwater, of een chokha van erwten (spicy erwtenpuree) met een cannoli van Indiaas flatbread met shiso die je dopt in wortelcurry, bewijst de zaak dat je noch vis noch vlees nodig hebt om je de volgende dag nog wat begeesterd te voelen.

Avatāra

Culinaire highway

Of je het jezelf makkelijk wilt maken en op korte tijd heel wat restaurants wilt afvinken waarvoor je anders twee vluchten hoort te nemen en een hobbelige autorit moet maken, of je gewoon zin hebt om ondergedompeld te worden in een nieuwe verrassende eetcultuur, in Dubai kan beide. In alle toeristische domeinen, en nu ook gastronomisch, faciliteert Dubai op elk niveau. Dat het soms wat minder authentiek aanvoelt, mag dan de keerzijde van de medaille zijn, het draait er soms ook gewoon om vanuit welk perspectief je de dingen bekijkt. Net zoals het de eigenaars van een villa op een van de palmtakken worst zal wezen dat ze zich op een artificieel stuk land bevinden, ze hebben toch maar mooi hun eigen strand.

door Marlies Beckers

Alle info

Restaurants:

Moonrise, Eden House, 41 Street, Al Satwa, Dubai.

Orfali Bros, Wasl 51 Mall, Al Wasl Road, Jumeirah 1, Dubai.

Avatāra, Business Park 1, Dubai Hills Estate, Dubai.

Praktisch:

. Vlucht: Emirates of Brussels Airlines vanuit Brussels Airport op Dubai: 6,5 uur
. Hotel: ME Dubai by Meliá in Business Bay (naar een ontwerp van Zaha Hadid).

. Munteenheid: dirham (delen door vier voor het bedrag in euro)
. Tip: Schaf jezelf voor € 7,50 een Wise-debitcard aan, waarop je geld kunt overschrijven en je bij vreemde valuta geen extra wissel- of bankkosten betaalt.

Meer lezen

The post Dubai voor foodies: hoe de stad zich als gastronomische trekpleister profileert appeared first on Trends.

☐ ☆ ✇ Trends

Joyce en Raissa de Haas maakten van Double Dutch een miljoenenbedrijf: ‘Ja, het speelde soms in ons voordeel om vrouw te zijn. So what?’

By: Marlies Beckers

In het Verenigd Koninkrijk staan ze bekend als de ‘Tonic Twins’. De Nederlands-Belgische tweelingzussen Joyce en Raissa de Haas hebben in tien jaar tijd het premiumsegment van de mixers veroverd met hun drankenbedrijf Double Dutch. Zelfs Richard Branson werd fan. “Jong en naïef als we waren, dachten we niet veel na en deden we het gewoon.”

De tweelingzussen Joyce en Raissa de Haas (34) ontvangen me warm op het weelderige kasteeldomein in Wijnegem van wijlen hun vader, de antiquair en projectontwikkelaar Leo de Haas. Van daaruit runnen ze hun miljoenenbedrijf Double Dutch, dat jaarlijks nog gemiddeld met zo’n 40 procent groeit. Ze zijn actief in maar liefst veertig landen en richten na het Verenigd Koninkrijk nu hun pijlen op België.

Jullie bedrijf is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, het heet Double Dutch, maar jullie wonen in België.

RAISSA DE HAAS. “Onze ouders komen uit Nederland, maar verhuisden toen we één waren naar Turnhout. Hoewel we altijd in België hebben gewoond, werden we op school de ‘Nederlandse Belgen’ genoemd. Pas in het buitenland, toen mensen ons als ‘Nederlands’ bestempelden, zijn we onszelf zo gaan zien.”

Jullie lijken sprekend op elkaar en werken samen. Is dat van nature uit?

JOYCE DE HAAS. “We hebben een unieke band en beschouwen ons eerst als zussen, dan als vriendinnen en pas dan als zakenpartners. We kibbelen ook zoals zussen, maar daardoor vertrouwen we elkaar ook voor honderd procent.”

Na jullie studie toegepaste economische wetenschappen in Antwerpen zijn jullie naar Londen getrokken.

RAISSA. “Joyce werkte daar voor BNP Paribas Fortis en ik voor een private wealth firm, wat niks voor ons was. Uiteindelijk volgden we een masteropleiding Technology Entrepreneurship aan de University College Londen, met als doel een start-up in fintech te beginnen.”

Parallel hostten jullie kotfeestjes waar jullie limonades maakten, wat je de iconische naam de ‘Tonic Twins’ opleverde.

JOYCE. “Die naam kregen we pas in Londen, maar dat hosten deden we al toen we in Antwerpen op kot zaten. Thuis was het aperitiefmoment ontzettend belangrijk. Onze ouders organiseerden elke laatste vrijdag van de maand voor vrienden een themafeestje rond een bepaald drankje.”

RAISSA. “Maar op kot dronk iedereen graag vodka Red Bull en gin Gini. Wij vonden dat vies en zijn uit noodzaak zelf limonades beginnen te maken. Heel simpel met munt, watermeloen en suiker kookten we een siroopje.”

Wisten jullie van meet af aan dat jullie wilden ondernemen?

JOYCE. “De zin om te ondernemen en de kennis over de financiële wereld kregen we mee van thuis. Papa vertelde over het plezier van zakendoen en de vrijheid die ermee gepaard ging. We wisten dus dat we ooit iets wilden opstarten, maar vermoedden niet dat we het al zo snel zouden doen. Volgens papa moesten we eerst fouten maken op een ander” (lacht).

De thesis van Raissa gooide echter roet in het eten.

RAISSA. (lacht) “Onze thesis voor die masteropleiding moest gaan over een idee voor een start-up. Toen Joyce en ik in 2014 in Londen aankwamen, waren we enorm verbaasd door de bruisende hospitalityscene en de gin-tonic-hype. Ik onderzocht voor mijn thesis waarom spirits booming waren, maar mixers niet als innoverend werden gezien. We wilden mixers maken voor cocktails die breder gingen dan tonic en bedachten de flavoured sodawaters watermeloen met komkommer en granaatappel met basilicum. Daarmee won ik de ‘Thesis van het Jaar’, met als prijzengeld 10.000 pond startkapitaal, alle set-upkosten en een jaar kantoorruimte. Met zo’n steuntje in de rug ga je er wel voor.”

Een thesis maken is één ding, een miljoenenbusiness uitbouwen nog iets anders.

RAISSA. “Vanaf het begin hebben we Double Dutch beschouwd als een bedrijf en niet als een hobby. We hebben ons meteen groot gepositioneerd. We wisten dat we moesten opschalen.”

JOYCE. “Dat we zelf geen komkommers meer konden gaan kopen in de supermarkt, sprak vanzelf, maar aan de aankoop van flesjes hebben we ons even mispakt. Zelfs de kleinste leverancier wilde dat we minstens 100.000 flesjes afnamen. Gelukkig konden we uiteindelijk terecht bij een vriend met een drankenbedrijfje in Noord-Londen voor onze eerste 6.000 flesjes, die we dan bar per bar zijn gaan verkopen.”

RAISSA. “Intussen begrijpen we wel dat je met drank volume moet draaien en dat die aantallen toen belachelijk klein waren. Net zoals onze recepten. Een flavour developer heeft die aangepast, zodat ze commercieel haalbaar werden.”

Vijf maanden na de start volgde een award van Richard Branson.

JOYCE. “We wonnen de award voor ‘Most Innovative Food and Beverage Product’. Dat gaf ons ontzettend veel media-aandacht en geloofwaardigheid, die we nodig hadden om investeerders aan te trekken.”

RAISSA. “Ons startkapitaal én ons spaargeld waren inmiddels op en papa liet het ons zelf uitzoeken. (imiteert): ‘Hebben ze twee masters, gaan ze sapjes beginnen maken’” (lacht).

JOYCE. “Via LinkedIn zijn we iedereen met een investeerders- of een hospitalityprofiel beginnen aanspreken met de vraag of ze een koffie wilden gaan drinken met ons. Die ophaalronde heeft ons 250.000 pond opgebracht.”

Jullie hebben dus nooit geld gekregen van thuis?

JOYCE. “Onze ouders hebben ons nooit geld gegeven om een zaak op te starten, maar ze hebben ons wel laten studeren in Londen en ze hebben ons appartement betaald toen we begonnen te ondernemen. Later, toen we ons al bewezen hadden, hebben ze wel geïnvesteerd.”

En intussen bleven jullie van bar naar bar hoppen?

RAISSA. “In het begin was het echt leuren met ons product, maar we zijn altijd blijven focussen op het premiumsegment. Pas na twee jaar zijn we beginnen te investeren in marketing. Tot dan hadden we ons volledig gefocust op sales. We hadden een erg duidelijk target gesteld: vier netwerkevents per week en elke dag tien bars doen.”

Is de concurrentie in mixers groot?

RAISSA. “Er zijn maar drie grote spelers: Schweppes, Fever Tree en Fentimans, allemaal een onderdeel van beursgenoteerde bedrijven. En dan zijn er nog een aantal kleine merken, maar van de grote zijn wij het enige onafhankelijke bedrijf.”

Is het niet moeilijk daartegenop te boksen?

JOYCE. “Ja en nee. De merken zijn gigantisch en kunnen veel extra’s aanbieden. Daar kun je als kleine speler niet tegenop, maar wij hadden wel het zelfvertrouwen om telkens een smaaktest voor te stellen. We mikken ook op plekken die zich willen onderscheiden. Uiteindelijk wil je als premiumbar origineel zijn en niet aanbieden wat de rest al heeft. Wij liggen daarom bewust niet in de supermarkt. En soms draait het ook om prestige. Toen Soho House en Fortnum & Mason ons opnamen, kon Four Seasons niet achterblijven.”

‘We beschouwen ons eerst als zussen, dan als vriendinnen en pas dan als zakenpartners’

Joyce de Haas

RAISSA. “Wel hebben die barbezoeken ertoe geleid dat we ons assortiment hebben uitgebreid. We kregen vaak als tegenargument dat we geen tonic hadden, zodat bareigenaars die alsnog elders moesten bestellen. We vormden met onze speciale drankjes slechts een nicheproduct. Met tonic, ginger beer, ginger ale en limonade konden we een grotere markt aanboren, waardoor we plots wel konden meedoen aan grote tenders van hotels en het zelfs konden winnen van die drie grote spelers.”

Het lijkt alsof het allemaal erg vlot ging, maar hebben jullie nooit tegenkanting gehad?

JOYCE. “Jong en naïef als we waren, dachten we er niet veel over na en deden we het gewoon. Maar we hebben wel gemerkt dat mensen je graag helpen als je het hen vraagt. We hebben altijd een grote gunfactor ondervonden. Zo was onze flavour developer gepensioneerd bij Coca-Cola en vond hij ons vermoedelijk wel schattig. (grijnst) En hoe hebben we hem gevonden? Gewoon door over ons product te babbelen tijdens een netwerkevent.”

RAISSA. “Idem voor Heineken. Tijdens een netwerkevent vroeg iemand ons wie onze ideale investeerder zou zijn. Daar hadden we zelfs nooit over nagedacht. Als Nederlands grootste drankenbedrijf dat nog in familiehanden is, was Heineken voor ons de meest logische keuze, grapten we. Die man vroeg ons toen 5 procent van de inlegsom als hij voor ons een afspraak kon regelen. We moesten er toen heel hard om lachen, maar drie maanden later ondertekenden we toch maar mooi een deal met de familie Heineken. We hebben die man met héél veel plezier die 5 procent betaald. Dus ja, we geloven erin dat je je geluk soms zelf wat moet creëren.”

Jullie hebben veel kapitaalrondes gedaan in ruil voor aandelen. Dat brengt ook een risico van verwatering met zich.

RAISSA. “Klopt, daar waren we ons ook altijd bewust van. Eerdere kapitaalrondes waren gericht op het bouwen van een sterk fundament: van merk tot distributie tot team, waarbij we veel input kregen van onze investeerders op het gebied van netwerk en strategie. Daardoor kunnen we nu opschalen met een veel efficiëntere kapitaalstructuur. De focus ligt op winstgevendheid, slimme partnerschappen en gerichte groei. Na vier jaar, toen de familie Heineken intekende, hebben onze ouders ook een deel mee in onze naam geïnvesteerd, omdat ze erin geloofden en ze zo onze toekomst konden veiligstellen en verwatering konden tegengaan.”

‘Sommige bartenders hebben wellicht voor ons gekozen omdat we vrouwen zijn. Maar is daar iets verkeerd mee?’

Joyce de Haas

Jullie wonen na het plotse overlijden van jullie vader in 2022 opnieuw in België. Hoe groot was die impact?

JOYCE. “De impact was vooral persoonlijk. We hadden een ongelooflijk sterke band met hem, maar sinds corona werkten we al volledig remote. Nu pendelen we beurtelings om de veertien dagen naar Londen.”

RAISSA. “We hebben een goede structuur. Joyce doet alles van operations en finance, ik de sales en de marketing, en daarnaast hebben we ieder nog verschillende andere verantwoordelijkheden. Telewerken heeft als voordeel dat we nu een CFO hebben die in Newcastle woont.”

Is ondernemen hier anders dan in het Verenigd Koninkrijk?

JOYCE. “Ik denk niet dat we hier hetzelfde hadden kunnen bereiken als het Verenigd Koninkrijk, en dan bedoel ik vooral Londen. Het netwerk is er veel groter, via via vind je altijd de juiste persoon, alle grote bedrijven hebben er een vestiging en de mentaliteit is er ook anders. In Londen gunnen mensen elkaar veel makkelijker iets dan in België. Hier mag je toch niet te ver boven het maaiveld uitsteken. Mensen zijn heel snel afgunstig.”

Hoe voelt het ondernemerschap aan als vrouw?

JOYCE. “In het begin kampten we wel met vooroordelen. We hadden een hoog Paris Hilton-gehalte: jonge tweelingzussen die drankjes op de markt willen brengen, zouden wel enkel willen feesten. Zou men dat over twee jonge mannen ook hebben gedacht? Maar we hebben ons er nooit door laten tegenhouden en uiteindelijk heb ik de indruk dat het veeleer in ons voordeel is gedraaid. Sommige bartenders hebben wellicht voor ons gekozen omdat we vrouwen zijn. Maar is daar iets verkeerd mee? Onlangs las ik dat slechts 1 procent van al het opgehaalde kapitaal naar vrouwen gaat. Nu is er een Brits fonds dat enkel investeert in vrouwen. Iemand zei dat ze niet wil dat een fonds in haar investeert louter omdat ze een vrouw is. Het moet in haar investeren omdat het bedrijf goed is. En dan denk ik: so what? (hevig) Neem dat geld dan toch met twee handen aan! Dan willen ze vrouwen stimuleren om te ondernemen en is het weer niet goed.”

Zijn er niet net veel vrouwen die het ondernemerschap moeilijk vinden als ze een gezin willen beginnen? Raissa, jij bent hoogzwanger. Joyce, jij bent mama van Leo, een zoontje van één jaar. Hoe lukt de combinatie voor jou?

JOYCE. “Beter dan verwacht. (lacht) Toegegeven, we wonen hier allemaal samen en mijn man en ik krijgen veel hulp van mama en er is opvang. Maar ook hier geldt hetzelfde: durf hulp te vragen! Je hoeft geen ploetermoeder te zijn. Als ik in Londen ben, werkt mijn man van thuis en soms gebeurt het dat ik tijdens een call Leo op schoot heb. Tja, het is heel simpel. Of het is met hem, of ik ben er niet.”

Maar dat kun je vooral zeggen omdat jullie de baas zijn?

RAISSA. “Zeker, maar op dat gebied zijn we moderne ondernemers. We hebben nu 25 mensen in dienst, onder wie veel vrouwen én mama’s. Zij mogen altijd schuiven met hun uren en we zijn daar erg flexibel in.”

‘In plaats van te gaan bowlen maken we tijdens onze teambuilding maaltijden voor daklozen. Dat is beter dan gin-tonics drinken, toch?’

Raissa de Haas

Hebben jullie vanuit die achtergrond ook het female-bartenderprogramma gestart?

RAISSA. “We merkten dat in de barscene weinig vrouwen doorstroomden naar hogere functies. In dat programma van twaalf weken met drie modules is er een praktisch deel. Daarnaast gaat het ook over de doorgroeimogelijkheden, de combinatie van die baan met een normaal leven én over het mentale aspect. Zo willen we kansen creëren voor vrouwen die er nu vaak nog niet zijn.”

Dat project kost jullie geld. Waarom doen jullie dat?

RAISSA. “We zien het als een manier om iets terug te geven aan de industrie, waarvan we in het begin zelf ook veel gekregen hebben.”

Vloeit vanuit dat sociale engagement ook jullie B-Corp-certificering voort, die jullie hebben gekregen als enige mixer?

JOYCE. “Kleine ondernemingen zoals de onze kunnen makkelijker een impact maken. Als je iets opstart, kun je evengoed meteen de juiste keuze maken. Zo hebben we lang gezocht naar het lichtst mogelijke flesje. Dat weegt nu 140 gram, tegenover 180 gram bij de concurrentie. We hebben ons plasticverbruik gereduceerd met 30 procent en onze logistiek aangepast, zodat we lokaler kunnen produceren. Onze leveranciers hebben we gekozen in functie van hun groene-energieverbruik. Het voordeel van B Corp is ook dat ze je na twee jaar opnieuw testen. Zo blijf je uitgedaagd worden om je verantwoordelijkheid te nemen.”

RAISSA. “Daarnaast heeft B Corp ook dat sociale deel. Zo verspillen we niks, maar worden al onze producten die bijna over datum zijn verdeeld via Too Good to Go en voedselbanken. En ze geven ons daarin ook tips. In plaats van te gaan bowlen maken we tijdens onze teambuilding maaltijden voor daklozen. Dat is beter dan gin-tonics drinken, toch?”

JOYCE. “Nu, dat doen we ook nog hoor. Alleen iets minder lang.” (lachen allebei luid).

The post Joyce en Raissa de Haas maakten van Double Dutch een miljoenenbedrijf: ‘Ja, het speelde soms in ons voordeel om vrouw te zijn. So what?’ appeared first on Trends Kanaal Z.

❌