FreshRSS

🔒
❌ About FreshRSS
There are new articles available, click to refresh the page.
Yesterday — 6 September 2026Trends

Nieuwe sportshirts produceren heeft grote impact op milieu: ‘Sportsponsoring staat in de weg van duurzaamheid’

6 September 2026 at 09:45

De sportzomer blijft maar doorgaan. Vrijdag (4 september) begon het WK basketbal bij de vrouwen in Duitsland. Of het nu basketbal, voetbal of wielrennen is: nieuwe sponsors betekenen ook nieuwe truitjes. De Europese Unie verbiedt kledingmerken om hun oude stock te vernietigen, maar sportmerken die van sponsor wisselen, kunnen dat verbod omzeilen.

The post Nieuwe sportshirts produceren heeft grote impact op milieu: ‘Sportsponsoring staat in de weg van duurzaamheid’ appeared first on Trends.be.

Before yesterdayTrends

De zoektocht naar een leefbaar loon in de textielketen: van Alsico tot Zeeman

6 August 2026 at 08:01

Kleding is spotgoedkoop, maar wie onze outfits in elkaar stikt, krijgt daar doorgaans niet altijd naar behoren voor betaald. Kledingbedrijven zoeken naar methodes om arbeiders correct te vergoeden. De discounter Zeeman, het nachtmodemerk Woody en de werkkledingfabrikanten Alsico en Belconfect delen hun strategieën voor een leefbaar loon.

The post De zoektocht naar een leefbaar loon in de textielketen: van Alsico tot Zeeman appeared first on Trends.be.

Een kritische blik op koolstofkredieten: wat is er mis met bomen planten?

24 May 2026 at 09:21

De markt van de koolstofkredieten is gekrompen tot een fractie van haar oorspronkelijke waarde. Welke plaats heeft klimaatcompensatie nog in de duurzaamheidsstrategie van bedrijven?

The post Een kritische blik op koolstofkredieten: wat is er mis met bomen planten? appeared first on Trends.be.

Hoe AI de sector van tweedehandskleding helpt: ‘Er komt héél veel textiel binnen, meestal van slechte kwaliteit’

6 May 2026 at 12:48

Kan artificiële intelligentie de tweedehandsindustrie redden? De Brusselse nieuwkomer Trosort en de ervaren West-Vlaamse machinebouwer Valvan hopen van wel. Met dank aan technologie vinden tweedehandsinzamelaars Spullenhulp en Kringwinkel hun weg naar onlineverkoop. "We moeten wel blijven innoveren, anders kunnen we al dat textielafval niet meer de baas."

The post Hoe AI de sector van tweedehandskleding helpt: ‘Er komt héél veel textiel binnen, meestal van slechte kwaliteit’ appeared first on Trends.be.

Hoe AI de sector van tweedehandskleding helpt: ‘Er komt héél veel textiel binnen, meestal van slechte kwaliteit’

6 May 2026 at 12:48

Kan artificiële intelligentie de tweedehandsindustrie redden? De Brusselse nieuwkomer Trosort en de ervaren West-Vlaamse machinebouwer Valvan hopen van wel. Met dank aan technologie vinden tweedehandsinzamelaars Spullenhulp en Kringwinkel hun weg naar onlineverkoop. "We moeten wel blijven innoveren, anders kunnen we al dat textielafval niet meer de baas."

The post Hoe AI de sector van tweedehandskleding helpt: ‘Er komt héél veel textiel binnen, meestal van slechte kwaliteit’ appeared first on Trends.be.

Econoom Sophie van Gool over de baby-economie: ‘Bedrijven willen niet het beste voor ons kind, ze willen gewoon winst maken’

24 March 2026 at 20:45

Elke euro die in een baby of een peuter wordt geïnvesteerd, levert de samenleving een jaarlijks rendement van 13 procent op. "Dat is aanzienlijk meer dan een spaarrekening", zegt de Nederlandse econoom Sophie van Gool. Toch blijkt het ouderschap een financiële aderlating, met name voor moeders. Wie verdient dan wel aan de baby-economie?

The post Econoom Sophie van Gool over de baby-economie: ‘Bedrijven willen niet het beste voor ons kind, ze willen gewoon winst maken’ appeared first on Trends.be.

CurveCatch haalt extra geld op: de juiste beha dankzij AI

27 February 2026 at 09:08

Artificiële intelligentie dringt door tot elk aspect van ons dagelijks leven, zelfs tot in onze ondergoedlade. Met haar webshop CurveCatch hoopt Kimia Namadchi vrouwen op basis van algoritmes van de juiste beha te voorzien. Om de software verder te ontwikkelen haalde ze begin dit jaar 1,2 miljoen euro op.

The post CurveCatch haalt extra geld op: de juiste beha dankzij AI appeared first on Trends.

CurveCatch haalt extra geld op: de juiste beha dankzij AI

27 February 2026 at 09:08

Artificiële intelligentie dringt door tot elk aspect van ons dagelijks leven, zelfs tot in onze ondergoedlade. Met haar webshop CurveCatch hoopt Kimia Namadchi vrouwen op basis van algoritmes van de juiste beha te voorzien. Om de software verder te ontwikkelen haalde ze begin dit jaar 1,2 miljoen euro op.

The post CurveCatch haalt extra geld op: de juiste beha dankzij AI appeared first on Trends.

Murielle Scherre (la fille d’O): ‘We zijn het Bokrijk van de mode-industrie’

23 November 2025 at 11:03

Duurzaam ondernemen in België is niet vanzelfsprekend, en toch doet de lingerieontwerper Murielle Scherre het met la fille d’O al ruim twintig jaar. Winst levert het haar niet op. “Het alternatief is stoppen, maar ik wil geen lingerie van een ander merk dragen.”

In twintig jaar tijd heeft Murielle Scherre ruim 400 beha’s ontworpen. “Als je kijkt naar de mode-industrie, klinkt dat misschien als niet veel”, zegt de oprichter van het lingeriemerk la fille d’O. “Maar in de lingerie hebben veel merken slechts drie modellen die ze elk jaar in een nieuwe kleur of print steken. La fille d’O werkt heel hard aan innovatie en heeft bijvoorbeeld ook beha’s voor wie een borstamputatie liet uitvoeren.”

Scherre tekent de patronen steeds met de hand uit. Haar gedachten meteen digitaal vertalen, is niet vanzelfsprekend: “De klassieke computersystemen zijn daarvoor te rechtlijnig. Je kunt veel fijner ontwerpen door op papier te beginnen.” Wat volgt noemt ze “tovenarij”. “Je vertaalt een gedachte naar een wit blad, naar een computer, naar een stof, naar een kneedbaar, asymmetrisch lichaam.”

Juiste pasvorm

Om dat te kunnen, rekent ze op een ecosysteem aan gelijkgestemde ondernemingen. Ver wilde ze die niet zoeken. Van in het prille begin van la fille d’O, dat 22 jaar bestaat, wou Scherre zo duurzaam mogelijk produceren. Dat betekent dat ze zo dicht mogelijk bij haar woonst in de rand van Gent – momenteel verbouwt ze een huis in Oostende – wilde blijven. Ze werkt samen met bedrijven in Deinze, Wevelgem en Kemmel (zie kader Het ecosysteem van la fille d’O). “Tijdens corona was alles potdicht, de IKEA-rekken waren leeg. Maar aangezien ik binnen een straal van 50 kilometer werk, kon mijn productie gewoon blijven draaien.”

In Deinze, bij de patroontekenaar Gradacom, worden Scherres papieren gedachten gedigitaliseerd en in maten gegradeerd, zodat mensen steeds de juiste pasvorm vinden. Al heeft Scherre op dat laatste iets gevonden: “Onze beha’s kunnen 15 centimeter worden ingenomen. Als je lichaam verandert, heb je dus niet per se een nieuwe beha nodig.”

Oorspronkelijk kocht Scherre ook haar stoffen bij een ander bedrijf in Deinze, maar die samenwerking is onlangs stopgezet. Nu haalt ze die uit Italië. De fournituren – accessoires zoals rekkers – en behabeugels komen respectievelijk uit Duitsland en Frankrijk. “Het zijn bijna allemaal familiebedrijven, met onze ethiek zitten we op dezelfde golflengte”, zegt ze.
De samenwerking met het West-Vlaamse confectiebedrijf Celesta noemt Scherre haar langste relatie. “Ik ben al 22 jaar samen met die man. En met zijn vrouw natuurlijk ook”, lacht ze. In het hoofdkantoor in Wevelgem worden de stoffen gesneden op lange tafels en de patronen gemaakt. Vervolgens gebeurt de productie in een kleiner atelier in Kemmel, bij Ieper. Vroeger werkten er vijftig stiksters, toen grotere lingeriefabrikanten zoals Van de Velde nog in België produceerden. “Nu zijn er maar drie meer over, en ze zijn bijna pensioengerechtigd”, zegt Scherre. Ze noemt hen “de kernfysici van de lingerie”.

‘Onze beha’s kunnen 15 centimeter worden ingenomen. Als je lichaam verandert, heb je dus niet per se een nieuwe beha nodig’

Vol eerbied spreekt Scherre over hun kennis en kunde. Lingerie is een vak apart, elk van de vrouwen is een specialist in een bepaalde handeling of machine. Scherre vergelijkt het met de film Edward Scissorhands: “Het slechtste wat je kunt doen, is hen een nieuwe machine geven, zo hard zijn ze vergroeid met de machines die er staan.” Dat kunnen we ons bijna niet meer voorstellen, zegt ze erbij. “Onze generaties willen elke maand een nieuw lief, zij doen al dertig jaar dezelfde job.”

Koop Belgisch

Tegelijk toont het de fragiliteit van Scherres ecosysteem. In België verdwijnt de textielindustrie. Dat proces is al jaren aan de gang, door de verhuizing van kledingmerken. En ook in mode-opleidingen wordt er te weinig op gefocust. Meer zelfs, we kijken neer op technische kennis, oppert Scherre.

“De ironie is dat onze maatschappij vandaag overgedocumenteerd is, maar als je wasbak verstopt zit, dan maakt het niet uit dat je een doctoraat over wasbakken geschreven hebt – je gaat hem niet zelf kunnen repareren”, stelt Scherre. “Daar heb je een vakmens voor nodig.” Als de drie stiksters ermee ophouden in Kemmel, vreest ze, verdwijnt ook hun kennis. “Mijn bedrijf is het Bokrijk van de mode-industrie.” Op termijn hoopt Scherre nieuwe arbeidskrachten op te leiden en misschien zelfs het textielatelier te kunnen overnemen. “Dat lijkt me het beste scenario, maar zo ver zijn we nog niet.”

Ondernemen in textiel in België is niet vanzelfsprekend, bewijst Scherres verhaal. Een campagne als ‘Ik koop Belgisch’, die uitgaat van Flanders DC, vindt Scherre dan ook wat zuur. “Ik ben de enige die hier nog produceert. Natuurlijk snap ik dat je geen campagne kunt opzetten rond één bedrijf. En het geld blijft in België, is het idee.” Ze roept consumenten op om twee keer na te denken bij een label als ‘Designed in Belgium’. Want dat een kledingstuk ergens ontworpen wordt, zegt niks over waar de productie plaatsvindt.

Bankrekening

Tot voor kort stond duurzaamheid bijzonder hoog op de politieke agenda in België. De Senaat nodigde Scherre in juni 2023 zelfs uit voor een hoorzitting over faire mode. Er werd een voorstel uitgeschreven ‘voor een ethische en duurzame textielnijverheid, die de mensenrechten en het milieu eerbiedigt’. Scherre gaf een presentatie over haar werkwijze, en werd bevraagd over het herwaarderen van ambachten. Is er nadien iets veranderd?, vragen we. “Wat denk je zelf?”

In Europa staat de duurzaamheidswetgeving op de helling. De verplichte rapportage en de zorgplicht werden afgezwakt en sinds eind juni staat ook de Green Claims-richtlijn, die een eind zou maken aan greenwashing, on hold. Scherre ziet het met lede ogen aan: “Ik laat hen doen en ga gewoon door, vele mijlen hoger dan de lage lat aan normen en wetten.” Ondanks de lof die ze krijgt, ziet de ontwerper het nog niet snel gebeuren dat andere Belgische bedrijven haar voorbeeld volgen: “Niemand wil mijn bankrekening”, zegt ze onomwonden.
La fille d’O is al 22 jaar niet winstgevend, geeft Scherre toe. Daarvoor zijn de kosten te hoog. Haar loonkosten bedragen meer dan 50 procent, dat wenst ze geen enkel bedrijf toe. Iedereen wordt fair betaald, benadrukt ze, maar wel tegen minimumlonen. “Het alternatief is stoppen, maar dat zie ik niet zitten”, zegt ze. “Ik wil geen lingerie van een ander merk dragen, en mijn klanten evenmin. Ziedaar mijn drijfveer.”

‘Ik laat Europa doen en ga gewoon door, vele mijlen hoger dan de lage lat aan normen en wetten’

Scherre bekijkt af en toe de subsidies die het innovatieagentschap Vlaio uitschrijft, maar heeft nog nooit steun ontvangen: “Die subsidies zijn gebaseerd op het oude systeem. Het profiel van mijn bedrijf past daar niet in.” Investeerders toonden eerder interesse in haar bedrijf, maar meestal om de foute redenen. “Ik ben een vrouw die lingerie ontwerpt, daar moet ik geen tekening bij maken, denk ik? Het eerste advies dat businessangels geven is altijd: verhuizen naar het buitenland. Dat is voor mij een no-go.”

Ecoscore

Hoe kan duurzaam ondernemen in België wél winstgevend zijn? Ecocheques gebruiken voor producten zoals het hare, zou al helpen, opperde Scherre in de Senaat. Daarvoor zouden we zwart op wit moeten kunnen stellen of iets duurzaam is of niet, stelde ze voor. Met zo’n ‘ecoscore’ voor textielproducten zouden bedrijven die werkelijk duurzaam produceren een streepje voor hebben op bedrijven die er niet mee bezig zijn of aan greenwashing doen. Tegelijk wil Scherre kritisch blijven, zegt ze, want “de nutriscore werkt ook niet”.

Er is een ‘ecoscore’ of rangschikking voor textiel in de maak: de Product Environmental Footprint Category Rules of PEFCR. Langs de ene kant blijkt die weinig kritisch voor synthetische stoffen – de soort stoffen die Scherre ook gebruikt – en fastfashionbedrijven, die meebetaalden aan het proces. Langs de andere kant levert het vooral veel geld op voor bedrijven die levenscyclusschattingen uitvoeren.

‘Het eerste advies dat businessangels geven is altijd: verhuizen naar het buitenland. Dat is voor mij een no-go’

Consultants betalen om te bewijzen hoe goed je product is, daar doet Scherre niet aan mee. La fille d’O heeft geen enkel duurzaamheidslabel, legt ze uit: “Die zijn duur, tijdrovend en je product wordt er niet beter van.” De stoffenfabrikant Penn Italia heeft weliswaar een Oeko-Texlabel, dat controleert of er geen schadelijke chemicaliën in de stoffen achterblijven. Toch mag Scherre dat niet voor haar lingerie gebruiken. Daarvoor zou ze het afgewerkte product nogmaals door Oeko-Tex 100 moeten laten screenen.

Beha’s in auto’s

Voor de stoffen is het verhaal complexer. Lingerie wordt gemaakt van elastische kunststoffen zoals polyamide en elastaan, “de enige stoffen die voldoende comfort geven”. Het grote nadeel van plastic is voor la fille d’O dan ook het grootste voordeel: “Plastic gaat lang mee, mijn beha’s kun je blijven gebruiken.”

Tegelijk denkt ze na over hoe je beha’s een tweede leven kunt geven, bijvoorbeeld door ze te herbestemmen of te recycleren. Tot voor kort werkte ze samen met een Kringwinkel die garandeerde dat haar oude beha’s als grondstof in de Duitse auto-industrie eindigden. Haar huidige contact bij de Kringwinkel kan die eindbestemming niet meer garanderen, dus staat de samenwerking on hold. Tot dan ligt haar kelder vol beha’s. “Een probleem moet je niet onder de mat vegen. Pas als je ermee geconfronteerd wordt, kom je tot creatieve oplossingen”, zegt Murielle Scherre.

Tegelijk weet de ontwerper bijvoorbeeld niet waar de olie voor haar grondstoffen vandaan komt: “Onlangs vroeg een duurzaamheidsmanager van een merk dat niet meer in België produceert me dat. Ik heb erg op mijn tong gebeten.” Ze maakt het wel vaker mee dat mensen des te kritischer zijn voor wie duurzaamheid hoog in het vaandel draagt. “Ooit fotografeerde iemand me in de Primark met mijn dochter. Ja, ik kom daar ook. En in IKEA ook. Ik eet vegan, maar draag leren schoenen. In Kemmel werken we met plastic zakjes, maar we hergebruiken die – ik ben zeker dat sommige al twintig jaar in omloop zijn. Door te vingerwijzen, verliezen we veel potentieel.”

The post Murielle Scherre (la fille d’O): ‘We zijn het Bokrijk van de mode-industrie’ appeared first on Trends.

Alsico pioniert met recyclage van polyester: ‘Onze afvalberg is onze grondstof’

16 November 2025 at 11:55

Geen enkel soort textiel is zo moeilijk te recycleren als beschermingskledij. Daar brengt de Oost-Vlaamse producent Alsico verandering in. Voor dat huzarenstukje werkte het samen met het Canadese Sixone.

Alsico had met zijn Spaanse stoffenleverancier al een mechanisch recyclageprogramma opgezet om snijafval, dat ontstaat bij het uitsnijden van patronen, te recycleren. Maar de grote uitdaging om textiel te hergebruiken ligt voor de hele kledingsector bij het afgedankte consumententextiel, dat veel moeilijker te hergebruiken is. Alsico wil ook dat aanpakken. Het werkt daarvoor samen met Sixone. Dat Canadese bedrijf doet aan chemische recyclage, wat verschilt van mechanische recyclage. “Chemische recyclage brengt het polyester terug naar een monomeer, om daar vervolgens opnieuw een polymeer van te maken”, zegt Vincent Siau, de directeur van Alsico. “Bij mechanische recyclage blijft een polymeer een polymeer. Bij elke verwerking wordt de vezel korter en korter. Je kunt dat procedé hooguit zeven of acht keer herhalen. Uiteindelijk is de vezel niets meer waard.”

De innovatie van Sixone levert hoogwaardige polyesterkorrels op, waarmee Alsico kledingstukken kan maken die volledig uit gerecycleerd materiaal bestaan. Nieuw polyester op basis van fossiele grondstoffen wordt zo overbodig. “Chemische recyclage is de toekomst. Je kunt er veel verder mee gaan dan met mechanische processen”, zegt Siau. Toch zijn die processen energieverslindend en duur, bleek uit een Europees onderzoek van VITO uit 2021. “Maar sindsdien is chemische recyclage efficiënter geworden”, aldus Siau. “Ik ben ervan overtuigd dat gerecycleerde garens op termijn tegen dezelfde prijs als nieuw Europees garen op de markt komen.” Aziatische garens zullen wel altijd goedkoper blijven, geeft hij toe.

‘Chemische recyclage is de toekomst. Je kunt er veel verder mee gaan dan met mechanische processen’

Vincent Siau, Alsico

Oude loodsen

Het kantoorgebouw en de magazijnen op de oude productiesite van de werkkledingproducent Alsico zijn zo goed als leeg. Vincent Siau heeft zijn team twee jaar geleden verhuisd naar een modern gebouw elders in Ronse. In de oude loodsen ligt wel afgedankte werkkleding, opgeslagen in gigantische kubussen van karton of plastic. In elk zit zo’n 100 tot 120 kilogram kledij. Ik zie witte pakken en veiligheidslaarzen, bedoeld voor de farma-industrie, retroreflecterende beschermingskledij voor wegenwerkers en massa’s labojassen. “Er ligt 79 ton”, vertelt Vincent Siau. “Het liefst van al zou ik willen dat het magazijn leeg was.”

De ondernemer heeft al die kleren opgehaald. Alsico verhuurt geen werkkleding, maar verkoopt die rechtstreeks aan zijn klanten, van Pfizer tot Colruyt Group. Die afnemers zijn niet verplicht de kleren na gebruik opnieuw binnen te brengen. Slechts 10 procent van wat Alsico produceert, keert na gebruik terug naar Ronse. Dankzij een samenwerking met onder meer de wasserijgroep Ellis, de grootste van Europa, is dat al wat meer dan voordien. Daar heeft Siau wilde plannen mee: hij hoopt al die kleren te kunnen recycleren.

Slechte stoffen

Vanzelfsprekend is dat allerminst. Momenteel wordt slechts 1 procent van alle textiel ter wereld hoogwaardig herverwerkt. Het textiel waaruit beschermingskledij wordt gemaakt, is nog een stuk moeilijker te recycleren dan dat van modeartikelen. Siau geeft het voorbeeld van een beschermende stof die Alsico zelf ontwikkeld heeft: die bestaat uit twee kunststoffen die geen vuur kunnen vatten, het dure aramide en het comfortabele modacryl, en uit biokatoen met een waterafstotende finish. Monomaterialen – stoffen die uit één type vezel bestaan, zoals 100 procent polyester – of stofmengsels zoals polykatoen kun je veel makkelijker recupereren. Recyclagebedrijven wagen zich niet aan finishes en coatings. Dat begrijpt Siau als geen ander. “Je wilt het textiel wel recupereren, maar niet de slechte stoffen.”

Het bekendste voorbeeld is PFAS. Alsico werkt 4 procent van de beschermkledij af met een “lage dosis” van die stof. Voor sommige toepassingen in veiligheidskledij kun je niet zonder PFAS, bijvoorbeeld voor brandweerpakken. “In mijn sector staat veiligheid boven circulariteit”, zegt Vincent Siau. “Dat is de reden waarom die kleren gemaakt worden. Wat je er achteraf nog mee kunt, is van ondergeschikt belang.”

Alle ambitie ten spijt, zolang de vraag uitblijft, komt de textielrecyclage niet van de grond. Gerecycleerde vezels kosten nog altijd veel meer dan nieuw garen. De Europese Commissie overweegt om producenten ertoe te verplichten gerecycleerde materialen te gebruiken in hun productie, om die markt te stimuleren.

‘Ritsen, knopen, het kan allemaal samen in de reactor. Dat is een gamechanger’

Vincent Siau, Alsico

Ritsen en knopen

Ellis betaalt 40 eurocent per kilogram textiel als het kleren ongesorteerd bij Alsico binnenbrengt. Maar voor je kledij kunt recycleren, moet je meer doen dan het enkel te sorteren. De meeste herverwerkers verplichten inzamelaars van oud textiel om ritsen, knopen en reflecterende banden te verwijderen. Dat zou manueel moeten gebeuren, wat de kostprijs nog opdrijft. “Er wordt ons aangeraden dat te laten doen in maatwerkbedrijven”, zegt Vincent Siau. “Maar ook dat kost nog altijd handenvol geld.”

Twee Belgische bedrijven spelen daarop in. Het Brusselse bedrijf Resortecs heeft een smeltbaar naaigaren bedacht, waardoor kledingaccessoires bij hoge temperaturen uit elkaar vallen. De West-Vlaamse machinebouwer Valvan heeft een installatie gebouwd, de Trimclean, die afgedankte kledij versnijdt en die automatisch filtert op onderdelen met accessoires. Siau vond een alternatieve oplossing bij het Canadese chemische recyclagebedrijf Sixone. Anders dan andere recyclagebedrijven kan Sixone kledij mét ritsen en knopen verwerken. “Alles kan samen in de reactor. Dat is een gamechanger”, zegt Siau.

“De Europese industrie klaagt vaak over een gebrek aan eigen grondstoffen”, besluit Siau. “Maar dat klopt niet, want wij zijn de grootste consumentenmarkt. Onze afvalberg is onze grondstof.” Voor textiel ziet hij veel kansen: “Het meeste gerecycleerd polyester wordt momenteel gemaakt van petflessen. Maar als je kijkt naar de recyclagedoelstellingen van spelers als Coca-Cola en Procter & Gamble, dan weet je dat er in de toekomst geen petflessen meer over zullen zijn om nog T-shirts van te maken.”

“Voor nieuw polyester hangen we af van Azië”, stelt Siau. “Niet enkel van China, maar ook van landen als Vietnam, Zuid-Korea en Pakistan.” Net daarom vindt hij polyester recycleren tot nieuw polyester de toekomst. “Dat geeft ons een sterkere positie dan als de grondstof in de grond zou zitten in een verre regio. Zo hangen we minder af van het buitenland, maar maken we onze kleren zelf.”

De Belgische werkkledingssector wil meer recycleren

Febelsafe, de koepelorganisatie van de Belgische producenten van beschermingskledij, merkt dat fabrikanten meer willen recycleren. “Al zijn veel bedrijven nog op zoek”, zegt afzwaaiend secretaris-generaal Gwin Steenhoudt. Vaak is er sprake van downcycling – zo worden er tasjes gemaakt van hoogzichtbaarheidskledij.

Steenhoudt heeft lof voor het project Doctor Green van het Oost-Vlaamse textielbedrijf Utexbel en de samenwerking tussen Resortecs en fabrikanten als Sioen. Utexbel zamelt ziekenhuisuniformen in. Daarvan spint het nieuwe garens, die opnieuw gebruikt worden voor kledij in de zorgsector.
Sioen verwerkt het smeltbaar naaigaren van Resortecs in een deel van zijn textiel. “Niet in alles, omdat nog niet elke textielsamenstelling gerecycleerd kan worden”, zegt technisch directeur Ivan Deceuninck. “Een kledingstuk gaat ongeveer vier jaar mee. Als we zeker zijn dat het textiel later geen tweede leven krijgt, verwerken we er ook geen naaigaren in om het te kunnen herverwerken.”

The post Alsico pioniert met recyclage van polyester: ‘Onze afvalberg is onze grondstof’ appeared first on Trends.

Wanneer polyester groener wordt dan wol: Europese ‘ecoscore’ voor kledij slikt bakken kritiek

16 October 2025 at 08:32

Een van de meest duurzame truien die JBC ooit maakte, komt beroerd uit de methodologie die de Europese Unie naar voren schuift als dé weg naar een duurzame kledingindustrie. Modebedrijven zoals Zara, H&M en Nike betaalden elk 200.000 euro voor inspraak, wat bakken kritiek opleverde.

Volgens Anaïs Claes, de duurzaamheidsmanager van het kledingmerk JBC, is een nieuwe wollen trui ontworpen door modeontwerper Walter Van Beirendonck een van de meest duurzame die JBC ooit heeft laten maken. Toch scoort de trui opvallend slecht in de methode waarop de EU haar ‘ecoscore’ voor kleding wil baseren. “Het garen bestaat uit restwol, de stof is heel kwalitatief en de trui is in België gebreid en gemaakt”, legt Anaïs Claes uit. Toch doet de trui het 88 procent minder goed dan een gewone sweater van polyester, een kunststof op basis van fossiele olie. “Die resultaten zijn toch tegenstrijdig?” vraagt Claes.

Hoe werkt de schatting?

Europa wil dat de industrie voor de ecoscore voor kleding gebruik maakt van levenscyclusschattingen (life cycle assessment, LCA). LCA-onderzoekers worden vaak door de industrie betaald en kunnen de resultaten ‘bewust sturen’. Zo staat het een consultant vrij om een parameter zoals waterverbruik al dan niet op te nemen. De Europese Commissie ontwikkelde daarom de Product Environmental Footprint (PEF) met zestien milieucriteria voor elke levenscyclusschatting. Die zestien parameters, waaronder waterverbruik, zijn gelijk voor alle mogelijke producten. De textielindustrie is niet de eerste die zo’n PEF-levenscyclusschatting lanceert, onder andere hondenvoedingproducenten en bierbrouwers gingen haar al voor. Het Franse softwarebedrijf Glimpact ontwikkelde de schattingssoftware voor de textielwereld op basis van de zestien PEF-criteria. Anaïs Claes ging daar op onze vraag mee aan de slag.

‘De methodologie gaat uit van bepaalde aannames, die niet wetenschappelijk zijn. Een LCA is geen analyse, maar een schatting’

Karine Van Doorsselaer, UAntwerpen

De cijfers van JBC verklappen het al. Voor een dierlijke vezel als wol is de LCA niet mals. Dat heeft onder meer te maken met de klimaatimpact, de grootste van de zestien impactcategorieën. Schapen zijn herkauwers die methaangassen uitademen. Ook voor landgebruik scoort wol slecht, want schapen hebben veel ruimte nodig om te grazen. “De PEF-methodiek houdt er geen rekening mee dat grazen juist gezond is voor de grond, in tegenstelling tot oliewinning”, reageert Dalena White van de internationale wolfederatie IWTO.

Professor ecodesign Karine Van Doorsselaer (UA) is verontwaardigd: “De PEF-methodologie gaat uit van bepaalde aannames, die niet wetenschappelijk zijn. Een LCA is geen analyse, maar een schatting. Het opstellen van een volledig levenscyclusscenario is zodanig complex dat het in feite onmogelijk is.” Voor data kunnen bedrijven leunen op databases van bedrijven zoals Ecoinvent en Sphera, maar die data zijn volgens Van Doorsselaer en White verouderd. White zag zelfs berekeningen voor wol op basis van cijfers uit Nieuw-Zeeland van twintig jaar geleden.

Wie betaalt voor de schattingen?

De toekomstige impactmeting van de ruimtevaart zal de Europese Unie bekostigen, ‘omwille van militaire belangen’, maar voor de meeste andere metingen moet de industrie zelf betalen. Daar is veel kritiek op. “De Commissie wil niet bijdragen aan iets wat de industrie vooruit kan helpen”, zegt Baptiste Carriere-Pradal van de consultancy 2BPolicy. Hij treedt op als facilitator van het technisch secretariaat van de PEFCR (Product Environmental Footprint Category Rules) en vroeg een Europese beurs aan, goed voor 380.000 euro. Dat bleek niet voldoende, dus haalde het technisch secretariaat ruim 1 miljoen euro op, bij de bedrijven zelf.

Voor een eenvoudige polo met drie knopen, vier soorten garens, twee labels en een kraag heb je al snel meer dan tien afzonderlijke analyses nodig.

Kledingbedrijven betalen 150.000 euro voor drie jaar om als ‘stemgerechtigd lid’ mee te beslissen hoe de PEF-methodiek juist toegepast wordt op kleren en schoenen. In 2024 kwam daar nog eens 50.000 euro bovenop, omdat het werk maar liefst vijf jaar geduurd heeft. Jo Van Landeghem, adjunct-directeur van Febelsafe en voorheen werkzaam bij de modefederatie Creamoda, getuigt dat hij in de beginjaren suggesties deed om de PEFCR te verbeteren, als niet-stemgerechtigd lid vanuit de Europese modefederatie Euratex. “Maar die legde het secretariaat naast zich neer. Het was duidelijk dat je enkel kon meebeslissen als je betaald had”, aldus Van Landeghem. Een groot aantal fastfashionbedrijven toonde zich daartoe bereid, zoals C&A, Decathlon, H&M, Inditex (het moederbedrijf van onder meer Zara), Lacoste, Nike en VF Corporation, het moederbedrijf van het outdoorkledingbedrijf The North Face en schoenenmerken zoals Vans en Timberland.

Vooral die twee laatste vallen op, omdat het Amerikaanse en geen Europese bedrijven zijn. “De mode-industrie is nu eenmaal een globale sector”, zegt Carriere-Pradal daarover. Europees parlementslid Sara Matthieu (Groen) trekt parallellen met de manier waarop Donald Trump op het Europese beleid weegt. “Het kan niet de bedoeling zijn dat Amerikaanse leiders of Amerikaanse bedrijven onze wetgeving vormgeven.” Matthieu is ‘erg geschrokken’ van de financieringsvorm: “Voor technische materie zoals dit leunt de EU te hard op de industrie.” Zij is niet de enige Europarlementariër met bedenkingen. Hilde Vautmans (Open Vld) vreest dat de PEFCR de geloofwaardigheid van de EU kan ondermijnen, schreef ze al in 2022, terwijl het net “greenwashing de wereld uit moet helpen”.

Lees ook | Reis naar Ghana inspireert 7 Belgische kledingmerken tot meer duurzaamheid: ‘Dit had ik nog nooit gezien’

Wat merken de klanten hiervan?

Bedrijven die een eigen LCA laten uitvoeren, zijn daarmee vier tot twaalf maanden en 10.000 tot 100.000 euro kwijt, zegt Karine Van Doorsselaer. De PEFCR behandelt alle productcomponenten bijna gelijkwaardig, ongeacht hun aandeel in gewicht of milieu-impact, luidt het bij meerdere experts. Voor een eenvoudige polo met drie knopen, vier soorten garens, twee labels en een kraag heb je zo al snel meer dan tien afzonderlijke LCA’s nodig. “Van geld scheppen gesproken”, besluit Karine Van Doorsselaer. “Enkel de consultatiebureaus die LCA’s uitvoeren, varen financieel heel wel bij deze methode.”

Anaïs Claes is niet van plan om een LCA te bestellen van de trui die ze vorige week met Van Beirendock lanceerde. “Grote bedrijven hebben meer geld om LCA’s te laten uitvoeren”, zegt zij. “Ze hebben ook meer macht in de fabrieken, omdat zij een groter deel van de productievolumes afnemen. Zo kunnen ze sneller en misschien zelfs gratis data opvragen aan hun leveranciers.” Voor de jeanscollectie van HNST liet Claes wel al LCA’s uitvoeren. “Hoewel we heel trots zijn op die scores, merken we dat het moeilijk is om onze klant mee te nemen in dit verhaal. Een LCA is geen doorslaggevende factor voor een aankoop.”

“Oorspronkelijk is de PEFCR bedoeld als een soort ‘nutriscore’ of ‘ecoscore’”, vertelt Dalena White van de wolfederatie IWTO. Maar de Italiaanse consultant Alessandra Zamagni, die nauw samenwerkt met Glimpact, stelt dat de berekening vooral tot interne verbeteringen leidt. Haar hoop is dat bedrijven op termijn afstappen van de verouderde databases, en eigen duurzaamheidsgegevens laten ophalen. De Europese Commissie neemt de PEF-methode dit voorjaar opnieuw onder de loep. Dalena White blijft bezorgd, omdat de methodiek werd opgenomen in de Europese ecodesignwetgeving (ESPR). “De EU stelt de PEFCR voor als een vrijwillige tool”, zucht White. “Maar door hem te vermelden in die wet, verplicht de Commissie indirect om er toch gebruik van te maken.”

Dit artikel kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Onderzoeksjournalistiek.

The post Wanneer polyester groener wordt dan wol: Europese ‘ecoscore’ voor kledij slikt bakken kritiek appeared first on Trends.

Hoe pantyproducent Texim tegen de grenzen van verduurzaming aanliep

8 October 2025 at 11:15

Het Limburgs familiebedrijf Texim spoorde bio-ingenieurs aan de UGent aan om elastaan uit zijn panty’s te halen, de laatste horde om zijn textielrecyclage te verduurzamen. Maar de technologie en de traag veranderende markt fnuikten de innovatie.

De beenmodeproducent Texim uit het Limburgse Oudsbergen bestaat al sinds het midden van de jaren tachtig. De kmo laat panty’s maken in Italië en doet vervolgens aan grootdistributie, ook buiten België. “Twee derde van onze klanten is Frans”, zegt directeur Paul Vantilt. “Carrefour is bijvoorbeeld gecentraliseerd in Frankrijk, maar heeft ook winkels in landen als Spanje, Roemenië en natuurlijk België.” Als u panty’s in die keten koopt, is de kans groot dat ze van Texim komen.

Samen met zijn dochter Leen Vantilt, accountmanager van Texim, en zijn zoon Stijn Vantilt, die nu geen deel meer uitmaakt van het bedrijf, stootte Paul Vantilt op een probleem. De panty’s die het verkoopt, kunnen niet worden gerecycleerd. Dat ligt aan de vezel elastaan. Die werd in de loop van de jaren tachtig toegevoegd om de elasticiteit te vergroten, vertelt Paul Vantilt: “Een panty van enkel polyamide en polyester kan breken als er te veel druk op komt. Elastaan verhoogt de elasticiteit en dus de kwaliteit.” Tegenwoordig worden de polyamidedraden rond de elastaan gewikkeld. “Dat zorgt voor nog meer kwaliteit en een aangenamer draagcomfort”, zegt Paul Vantilt. “Anders zou je de elastaan voelen op je huid.”

Catch 22

De synthetische stof zorgt er niet alleen voor dat je een nylonkous kunt uitrekken, maar is alomtegenwoordig in de textielsector. Aan zo goed als elke kous, jeans of onderbroek wordt een vijftal procent elastaan toegevoegd. “Bij panty’s is dat 10 procent, of 20 procent voor nylonkousen die extra steun bieden”, aldus Paul Vantilt. “De tendens is ook om eerder meer elastaan te gebruiken dan minder.” Op zich heeft elastaan maar een marktaandeel van 1,1 procent, berekende de Amerikaanse belangenorganisatie Textile Exchange, terwijl 57 procent van onze kleerkast uit polyester en 20 procent uit katoen bestaat. Het is een kleine, maar cruciale grondstof.

‘De tendens is om eerder meer elastaan te gebruiken dan minder’

Paul Vantilt, Texim

Texim kwam terecht in een klassieke catch 22. Zonder elastaan is de kwaliteit van panty’s slecht, met elastaan kun je ze niet recycleren. Isabel De Schrijver van het Belgische onderzoeksinstituut Centexbel is niet verbaasd dat een pantybedrijf zoals Texim aan de alarmbel trekt: “Elk textielbedrijf staat voor dezelfde uitdaging, ze vragen zich af wat je met dat elastaan kunt doen. Niks, meestal. De eerste stap is volumes te creëren, om er een economisch haalbaar verhaal van te maken.”

Stijn Vantilt trok aan de mouw van professor Steven De Meester, bio-ingenieur aan het centrum van duurzame chemie van de UGent. Hij timmert sinds 2019 aan een oplossing om een van de grootste hordes voor een circulaire mode-industrie weg te nemen. De bio-ingenieur probeerde elastaan eerst mechanisch te recycleren door de kousen te verhakselen. “Maar die vezels zitten zo dicht op elkaar dat het bijna poeder wordt, dat je niet verder kan verwerken”, zegt Steven De Meester. “Elastaan is bovendien zodanig elastisch dat het rond de messen kan draaien.”

Patent

De Meester schakelde over naar fysiochemische recyclage, waarvoor hij solventen gebruikte. “Elastaan en polyamide zijn vezels die vrij dicht bij elkaar liggen. Wij zochten naar een solvent dat de eerste maar niet de tweede vezel oplost.” De Meester en zijn collega’s vonden zes solventen om elastaan uit polyamide, polyester, wol en katoen te halen, maar de chemische industrie reageerde niet onverdeeld positief. “Je hebt te veel solvent per ton textiel nodig om het proces rendabel te krijgen”, beseft de bio-ingenieur.

Steven De Meester is zeker niet de enige die deze harde innovatienoot probeert te kraken. Textielexpert Isabel De Schrijver van Centrexbel, die meewerkte aan het onderzoek van De Meester, somt ze op. Er is het EU-project Pesco-Up om elastaan uit vezels te halen door die te ontleden tot aparte moleculen. Recyclex is een project van de KU Leuven en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) om de detectie van elastaan in textiel te vergemakkelijken. VITO is ook betrokken bij onderzoek van de TU Wien, dat elastaan hoopt te verwijderen uit mengsels van polyester en polyamide, opnieuw op basis van solventen.

De samenwerking tussen Stijn De Meester en Texim liep inmiddels af, maar De Meester blijft onderzoek voeren om de recyclage verder op gang te trekken. Hij zoekt naar manieren om elastaan te verwijderen die wel economisch interessant zijn. Vorig jaar ontwikkelde zijn team een tweede procedure waarmee de oplosbaarheid tien keer hoger ligt. “Dat wil zeggen dat je tien keer minder solvent nodig hebt”, zegt hij. De professor is optimistisch: “We hebben in december voor het eerst een patent aangevraagd.”

Wat is duurzaam?

“Om panty’s een certificaat van de Global Recycling Standard (GRS) te kunnen geven, moet er minstens 50 procent recyclaat in zitten”, zegt Leen Vantilt. “Dat bieden we aan, maar we merken dat er niet altijd interesse voor is.” De vraag voor Leen Vantilt is wat duurzaamheid nu echt betekent. “De CO2-uitstoot van gerecycleerde garens blijkt op dit moment hoger te liggen dan die van ‘maagdendraad’.” Liever zet Texim in op kwaliteitscontroles, zodat panty’s langer meegaan. “Zelf koop ik ook liever iets ‘made in Italy’ dat jarenlang meegaat, dan een panty die je meteen moet weggooien.”

Het lijkt Vantilt ook moeilijk om consumenten te overtuigen om kapotte nylonkousen na gebruik naar een inzamelpunt te brengen. “Is dat wel hygiënisch, vragen ze zich af. De meesten gooien ze gewoon in de vuilbak. Heel erg, maar het is zo. Om elastaan uit panty’s te halen, moet je voldoende volume hebben. Een panty weegt 15 tot 20 gram, gemiddeld zit daar 3 tot 6 gram elastaan in. Veel gerecycleerde kunststoffen worden momenteel gemaakt van plastic flessen. Is dat dan echt circulair? We willen consumenten ook niet het gevoel geven dat de panty’s die ze in een container stoppen sowieso gerecycleerd zullen worden. Dat zou greenwashing zijn. De kans is groter dat ze ofwel alsnog verbrand worden, ofwel ergens op een afvalberg belanden.”

The post Hoe pantyproducent Texim tegen de grenzen van verduurzaming aanliep appeared first on Trends.

Susan Sjouwerman over jongeren en engagement: ‘Gen Z’ers weten van zichzelf een merk te maken’

12 September 2025 at 11:43

Gen Z’ers willen impact op het werk, en dat zullen werkgevers geweten hebben. Om sollicitanten aan te trekken, moeten bedrijven aantonen dat ze moreel op dezelfde lijn zitten. In een boek legt Susan Sjouwerman uit waarom jongeren die de arbeidsmarkt betreden zo verknocht zijn aan purpose. Ze raadt gen Z’ers aan zich niet te verliezen in de vacaturedatabank, maar zelf te ondernemen.

Vacatures waren er nauwelijks toen Susan Sjouwerman (35) tijdens de economische crisis de arbeidsmarkt betrad. Zo kwam het dat ze, na een weinig inspirerende baan in de pr, geen kantoortijger werd, maar freelancejournalist. Voor haar werk voor de NOS, het zakenblad Quote, Het Financieele Dagblad en Vogue interviewt ze geregeld impactondernemers: sociaal geëngageerde bedrijfsleiders die niet alleen geld op de plank willen krijgen, maar vooral een verschil willen maken. Dat streven hebben ze gemeenschappelijk met heel wat millennials – de generatie waar Sjouwerman zelf toe behoort – en vooral met gen Z’ers.

Net daardoor raken jongeren snel gedesillusioneerd door de beschikbare vacatures en het volgens Sjouwerman “grote aantal bullshitjobs” als ze de arbeidsmarkt betreden. “Op netwerkborrels merk ik hoezeer mensen van mijn leeftijd en jonger klagen dat hun baan wel leuk is, maar dat ze toch iets missen”, vertelt Sjouwerman. “Vreemd, want mijn ouders waren gewoon blij met de baan die ze hadden.”

Morele mismatch

Wie vroeger op de Zuidas werkte – het zakendistrict met hoogbouw in Amsterdam waar we elkaar ontmoeten – deed dat voor het hoge salaris en de status die daarbij hoort. Jonge mensen hebben daar minder interesse in: het consultancybedrijf Deloitte becijferde dat acht op de tien Nederlandse gen Z’ers en millennials purpose belangrijk vinden in hun werk.

“Wat die purpose moet inhouden, daar blijft de studie vaag over”, merkt Sjouwerman op. Feit is dat de waarden van een potentiële werkgever in lijn moeten liggen van die van de jonge sollicitant. In Nederland hebben vier op tien gen Z’ers en drie op de tien millennials al eens een baan of een opdracht afgewezen op basis van hun persoonlijke overtuigingen. Zes op de tien min-35-jarigen die aan de slag zijn, zouden overwegen ontslag te nemen in het geval van een morele mismatch met hun werkgever.

‘Gemiddeld zijn we 80.000 uur van ons leven aan het werk. Die uren moeten van betekenis zijn, vindt mijn generatie’

Susan Sjouwerman

Jonge mensen hebben behoefte aan zingeving, leerde Sjouwerman uit gesprekken met arbeidspsychologen en consultants. “Gemiddeld zijn we 80.000 uur van ons leven aan het werk. Voor mijn generatie zal dat misschien nog een stuk meer zijn. Die uren moeten van betekenis zijn, vinden we. De ene crisis na de andere slaat ons om de oren. Als consument kun je daar niet bijster veel aan doen, dus willen we daar professioneel mee aan de slag.”

Sjouwerman verwijst naar de ‘behoeftepiramide’ of de piramide van Maslow, die zegt dat je kunt streven naar bevrediging in je baan of je leven als je basisbehoeften – van eten tot onderdak – voldaan zijn. “Gelukkig is dat bij een groot deel van mijn generatie het geval”, schrijft Sjouwerman. Op één basisvoorziening na: almaar meer Nederlanders kunnen zich geen eigen huis meer veroorloven. “Als ze dat doel toch niet kunnen bereiken, denken velen: laat dan maar. Dan gaan ze liever vier vijfde werken, of zoeken ze een baan die ten minste leuk is.”

Traditionele bedrijven krijgen het bijgevolg best moeilijk om jonge werkkrachten enthousiast te maken voor een klassiek kantoorbestaan. Op lange termijn zullen veel meer bullshitjobs geautomatiseerd worden dankzij AI. Wie nu al gen Z’ers wil aantrekken, hamert het best op die purpose bij het uitschrijven van vacatures. Een bedrijf zou bijvoorbeeld kunnen aantonen hoe begaan het is met duurzaamheid. “Maar dan moet er ook ruimte zijn om daar als werknemer een rol in te spelen”, waarschuwt Sjouwerman. “Je wilt geen mensen binnenhalen om ze snel weer te verliezen.”

Zelf ondernemen

De echte oplossing is meer jongeren aan het ondernemen te krijgen, vindt Sjouwerman. “We hebben je nodig”, schrijft ze in het laatste hoofdstuk van haar boek. Alle berichtgeving over quiet quitting ten spijt: jonge arbeidskrachten, en dan vooral gen Z’ers, zijn juist ondernemend ingesteld. Ze zijn eigenzinnig en werken goed zelfstandig. Plus: als geen ander weten ze zich online te verkopen. “Dat is een voordeel van opgroeien met influencers. Gen Z’ers weten van zichzelf een merk te maken.”

Het boek van Sjouwerman is ook een praktische gids over hoe je je eerste stappen als impactondernemer zet. Een opvallende tip: meteen de meest duurzame methode bedenken vanaf minuut één blijkt geen goed idee te zijn. “Een bedrijf moet financieel rendabel en schaalbaar zijn voor je elk euvel kan oplossen.”

Als je een idee bedenkt waar de impact al zit ingebakken – Sjouwerman geeft het voorbeeld van Food For Skin, dat make-up maakt van voedseloverschotten – dan vergeeft de consument je dat plastic pompje op je glazen flesje heus wel. Sjouwerman vindt het zelf een belangrijke les, omdat ze in haar omgeving – het liefst interviewt ze duurzame modemerken – de jongste tijd veel faillissementen betreurt.

‘Jonge arbeidskrachten, en dan vooral gen Z’ers, zijn ondernemend ingesteld. Ze zijn eigenzinnig en werken goed zelfstandig’

Susan Sjouwerman

Dat laatste maakt de boodschap van haar boek een dubbeltje op zijn kant. Sjouwerman mag dan met de beste bedoelingen jong geweld aanmoedigen om te ondernemen, ze schrijft ook dat maar liefst negen op de tien start-ups niet slagen in hun opzet. Daarnaast zijn impactondernemers een stuk vatbaarder voor burn-outs.

“Meer dan de helft van de Nederlandse sociale ondernemingen maakt nochtans winst of draait break-even. De ene start-up die het wel waarmaakt, is het waard”, meent Sjouwerman. Ze merkt op dat veel ondernemers die ze interviewde eerst ervaring opgedaan hebben op dezelfde Zuidas, bij advocatenkantoren en multinationals. “Veel jongeren dromen van werken voor een goed doel, maar daar zijn amper banen. In de praktijk merk ik dat het ondernemers helpt om juist bij grote bedrijven te starten. Sommigen spraken hun voormalige baas zelfs aan om in hun start-up te investeren.”

Doorstart

Als je onderneemt vanuit passie, ga je door waar anderen misschien zouden stoppen. Mislukt een bedrijf toch, dan hoeft dat geen schande te zijn. Sjouwerman geeft het voorbeeld van Pieter Pot, een verpakkingsvrije onlinesupermarkt die te snel groeide, failliet ging en alsnog een doorstart maakte.

Recentere voorbeelden zijn het modemerk The New Optimist, dat kleding met statiegeld in de markt zet, en het recyclagebedrijf I-did. “Het eerste ging uiteindelijk failliet, het tweede kon wel een doorstart maken. Impactondernemers hebben gelukkig een grote gunfactor. Het zit hen niet altijd mee – banken zien ze bijvoorbeeld liever niet komen – maar op dat gebied hebben ze het wel getroffen.”

Wil je geen eigen bedrijf starten en zeggen de bestaande vacatures je niks? In je huidige baan kun je alsnog een verschil maken. “Dat is ook voor mezelf een les geweest: stap niet zomaar in die mal. Bedrijven weten niet altijd precies wat ze willen. Als je kansen krijgt, kun je mee bedenken hoe je je baan wilt invullen.”

Ze verwijst naar de term job crafting: door je baan te kneden naar wat bij je past, kun je aan de slag met iets waar je zelf behoefte aan hebt. Je hoeft daarvoor niet eens af te gaan op vacatures, heeft Sjouwerman in haar eigen loopbaan gemerkt. De NOS had geen moderedacteur. Door de combinatie van economie- en modeberichtgeving te opperen, kan Sjouwerman haar ei beter kwijt bij de Nederlandse openbare omroep. “Breaking news over Gaza of Oekraïne gaat natuurlijk voor. Maar de redactie is blij dat ze meer hoopvolle verhalen kan brengen, in plaats van enkel over dood en verderf.”

Susan Sjouwerman, Goed werk. Inspiratie en lessen voor ambitieuze idealisten, Zwartjes & Labović, 224 blz., 22,99 euro

The post Susan Sjouwerman over jongeren en engagement: ‘Gen Z’ers weten van zichzelf een merk te maken’ appeared first on Trends.

Susan Sjouwerman over jongeren en engagement: ‘Gen Z’ers weten van zichzelf een merk te maken’

12 September 2025 at 11:43

Gen Z’ers willen impact op het werk, en dat zullen werkgevers geweten hebben. Om sollicitanten aan te trekken, moeten bedrijven aantonen dat ze moreel op dezelfde lijn zitten. In een boek legt Susan Sjouwerman uit waarom jongeren die de arbeidsmarkt betreden zo verknocht zijn aan purpose. Ze raadt gen Z’ers aan zich niet te verliezen in de vacaturedatabank, maar zelf te ondernemen.

Vacatures waren er nauwelijks toen Susan Sjouwerman (35) tijdens de economische crisis de arbeidsmarkt betrad. Zo kwam het dat ze, na een weinig inspirerende baan in de pr, geen kantoortijger werd, maar freelancejournalist. Voor haar werk voor de NOS, het zakenblad Quote, Het Financieele Dagblad en Vogue interviewt ze geregeld impactondernemers: sociaal geëngageerde bedrijfsleiders die niet alleen geld op de plank willen krijgen, maar vooral een verschil willen maken. Dat streven hebben ze gemeenschappelijk met heel wat millennials – de generatie waar Sjouwerman zelf toe behoort – en vooral met gen Z’ers.

Net daardoor raken jongeren snel gedesillusioneerd door de beschikbare vacatures en het volgens Sjouwerman “grote aantal bullshitjobs” als ze de arbeidsmarkt betreden. “Op netwerkborrels merk ik hoezeer mensen van mijn leeftijd en jonger klagen dat hun baan wel leuk is, maar dat ze toch iets missen”, vertelt Sjouwerman. “Vreemd, want mijn ouders waren gewoon blij met de baan die ze hadden.”

Morele mismatch

Wie vroeger op de Zuidas werkte – het zakendistrict met hoogbouw in Amsterdam waar we elkaar ontmoeten – deed dat voor het hoge salaris en de status die daarbij hoort. Jonge mensen hebben daar minder interesse in: het consultancybedrijf Deloitte becijferde dat acht op de tien Nederlandse gen Z’ers en millennials purpose belangrijk vinden in hun werk.

“Wat die purpose moet inhouden, daar blijft de studie vaag over”, merkt Sjouwerman op. Feit is dat de waarden van een potentiële werkgever in lijn moeten liggen van die van de jonge sollicitant. In Nederland hebben vier op tien gen Z’ers en drie op de tien millennials al eens een baan of een opdracht afgewezen op basis van hun persoonlijke overtuigingen. Zes op de tien min-35-jarigen die aan de slag zijn, zouden overwegen ontslag te nemen in het geval van een morele mismatch met hun werkgever.

‘Gemiddeld zijn we 80.000 uur van ons leven aan het werk. Die uren moeten van betekenis zijn, vindt mijn generatie’

Susan Sjouwerman

Jonge mensen hebben behoefte aan zingeving, leerde Sjouwerman uit gesprekken met arbeidspsychologen en consultants. “Gemiddeld zijn we 80.000 uur van ons leven aan het werk. Voor mijn generatie zal dat misschien nog een stuk meer zijn. Die uren moeten van betekenis zijn, vinden we. De ene crisis na de andere slaat ons om de oren. Als consument kun je daar niet bijster veel aan doen, dus willen we daar professioneel mee aan de slag.”

Sjouwerman verwijst naar de ‘behoeftepiramide’ of de piramide van Maslow, die zegt dat je kunt streven naar bevrediging in je baan of je leven als je basisbehoeften – van eten tot onderdak – voldaan zijn. “Gelukkig is dat bij een groot deel van mijn generatie het geval”, schrijft Sjouwerman. Op één basisvoorziening na: almaar meer Nederlanders kunnen zich geen eigen huis meer veroorloven. “Als ze dat doel toch niet kunnen bereiken, denken velen: laat dan maar. Dan gaan ze liever vier vijfde werken, of zoeken ze een baan die ten minste leuk is.”

Traditionele bedrijven krijgen het bijgevolg best moeilijk om jonge werkkrachten enthousiast te maken voor een klassiek kantoorbestaan. Op lange termijn zullen veel meer bullshitjobs geautomatiseerd worden dankzij AI. Wie nu al gen Z’ers wil aantrekken, hamert het best op die purpose bij het uitschrijven van vacatures. Een bedrijf zou bijvoorbeeld kunnen aantonen hoe begaan het is met duurzaamheid. “Maar dan moet er ook ruimte zijn om daar als werknemer een rol in te spelen”, waarschuwt Sjouwerman. “Je wilt geen mensen binnenhalen om ze snel weer te verliezen.”

Zelf ondernemen

De echte oplossing is meer jongeren aan het ondernemen te krijgen, vindt Sjouwerman. “We hebben je nodig”, schrijft ze in het laatste hoofdstuk van haar boek. Alle berichtgeving over quiet quitting ten spijt: jonge arbeidskrachten, en dan vooral gen Z’ers, zijn juist ondernemend ingesteld. Ze zijn eigenzinnig en werken goed zelfstandig. Plus: als geen ander weten ze zich online te verkopen. “Dat is een voordeel van opgroeien met influencers. Gen Z’ers weten van zichzelf een merk te maken.”

Het boek van Sjouwerman is ook een praktische gids over hoe je je eerste stappen als impactondernemer zet. Een opvallende tip: meteen de meest duurzame methode bedenken vanaf minuut één blijkt geen goed idee te zijn. “Een bedrijf moet financieel rendabel en schaalbaar zijn voor je elk euvel kan oplossen.”

Als je een idee bedenkt waar de impact al zit ingebakken – Sjouwerman geeft het voorbeeld van Food For Skin, dat make-up maakt van voedseloverschotten – dan vergeeft de consument je dat plastic pompje op je glazen flesje heus wel. Sjouwerman vindt het zelf een belangrijke les, omdat ze in haar omgeving – het liefst interviewt ze duurzame modemerken – de jongste tijd veel faillissementen betreurt.

‘Jonge arbeidskrachten, en dan vooral gen Z’ers, zijn ondernemend ingesteld. Ze zijn eigenzinnig en werken goed zelfstandig’

Susan Sjouwerman

Dat laatste maakt de boodschap van haar boek een dubbeltje op zijn kant. Sjouwerman mag dan met de beste bedoelingen jong geweld aanmoedigen om te ondernemen, ze schrijft ook dat maar liefst negen op de tien start-ups niet slagen in hun opzet. Daarnaast zijn impactondernemers een stuk vatbaarder voor burn-outs.

“Meer dan de helft van de Nederlandse sociale ondernemingen maakt nochtans winst of draait break-even. De ene start-up die het wel waarmaakt, is het waard”, meent Sjouwerman. Ze merkt op dat veel ondernemers die ze interviewde eerst ervaring opgedaan hebben op dezelfde Zuidas, bij advocatenkantoren en multinationals. “Veel jongeren dromen van werken voor een goed doel, maar daar zijn amper banen. In de praktijk merk ik dat het ondernemers helpt om juist bij grote bedrijven te starten. Sommigen spraken hun voormalige baas zelfs aan om in hun start-up te investeren.”

Doorstart

Als je onderneemt vanuit passie, ga je door waar anderen misschien zouden stoppen. Mislukt een bedrijf toch, dan hoeft dat geen schande te zijn. Sjouwerman geeft het voorbeeld van Pieter Pot, een verpakkingsvrije onlinesupermarkt die te snel groeide, failliet ging en alsnog een doorstart maakte.

Recentere voorbeelden zijn het modemerk The New Optimist, dat kleding met statiegeld in de markt zet, en het recyclagebedrijf I-did. “Het eerste ging uiteindelijk failliet, het tweede kon wel een doorstart maken. Impactondernemers hebben gelukkig een grote gunfactor. Het zit hen niet altijd mee – banken zien ze bijvoorbeeld liever niet komen – maar op dat gebied hebben ze het wel getroffen.”

Wil je geen eigen bedrijf starten en zeggen de bestaande vacatures je niks? In je huidige baan kun je alsnog een verschil maken. “Dat is ook voor mezelf een les geweest: stap niet zomaar in die mal. Bedrijven weten niet altijd precies wat ze willen. Als je kansen krijgt, kun je mee bedenken hoe je je baan wilt invullen.”

Ze verwijst naar de term job crafting: door je baan te kneden naar wat bij je past, kun je aan de slag met iets waar je zelf behoefte aan hebt. Je hoeft daarvoor niet eens af te gaan op vacatures, heeft Sjouwerman in haar eigen loopbaan gemerkt. De NOS had geen moderedacteur. Door de combinatie van economie- en modeberichtgeving te opperen, kan Sjouwerman haar ei beter kwijt bij de Nederlandse openbare omroep. “Breaking news over Gaza of Oekraïne gaat natuurlijk voor. Maar de redactie is blij dat ze meer hoopvolle verhalen kan brengen, in plaats van enkel over dood en verderf.”

Susan Sjouwerman, Goed werk. Inspiratie en lessen voor ambitieuze idealisten, Zwartjes & Labović, 224 blz., 22,99 euro

The post Susan Sjouwerman over jongeren en engagement: ‘Gen Z’ers weten van zichzelf een merk te maken’ appeared first on Trends.

Is de bodemprijs voor kleding bereikt? Chinese webshops als Shein duwen Europese modegiganten naar meer kwaliteit

23 August 2025 at 09:09

Zara en H&M kunnen op prijs niet concurreren met de Chinese webwinkel Shein en verhogen hun prijzen. Zo bieden ze niet alleen betere kwaliteit, het helpt ook om te verduurzamen.

Een topje voor 4 euro, een rok voor 5 euro, een jurk voor nog geen 10 euro. De prijzen op de Chinese webwinkel Shein zijn om van te duizelen. En om van te smullen, vindt ruim de helft van de Belgen die graag shoppen op het internet. 54 procent van die groep kocht het afgelopen jaar bij Aziatische webshops als Shein. 6 procent koopt er zelfs elke week.

Dat is opmerkelijk, vindt de handelsfederatie Comeos, die de bevraging organiseerde. “Een paar jaar geleden had nog niemand van die webshops gehoord, nu zijn ze een vaste waarde”, zegt Nathalie De Greve, de duurzaamheidsmanager van Comeos. Nog opvallender vindt ze dat vier op de vijf Shein-shoppers zeggen te beseffen dat de spullen van die platformen van slechte kwaliteit zijn. “Toch blijven ze er kopen”, stelt De Greve vast.

In 2024 zijn in ons land meer dan 1 miljard pakjes met een waarde van onder 150 euro uit China bezorgd, blijkt uit overheidsdata. Dat is zeven keer meer dan in 2020. België is niet het enige land waar consumenten moeilijk kunnen weerstaan aan de verlokkingen van Shein en zijn concurrenten Temu en AliExpress. Onderzoekers hebben in 37 landen gepeild naar de herkomst van de jongste onlineaankoop van consumenten. In meer dan 40 procent kwam die van Chinese webshops.

Terwijl de snelste kledingproducenten tot voor kort zes weken nodig hadden om nieuwe outfits te ontwerpen en ze in de winkel te hangen, slaagt Shein daar in amper tien tot vijftien dagen in. En zes weken was al heel snel. Modemerken die in dat tempo kunnen schakelen, heten ‘fastfashionbedrijven’. Het concept is in de jaren negentig uitgedacht door Inditex, het moederbedrijf achter het Spaanse merk Zara, dat door zo’n snel productieproces in een mum van tijd trends kon afwisselen.

Afgelopen decennium deed Primark daar nog een schepje bovenop. De Ierse keten kon nog meer en nog goedkoper produceren, onder meer door hogere volumes in nog grotere winkels te stouwen. Voor Shein hebben experts termen als ultrafastfashion en real time fashion bedacht. Het Chinese platform bedenkt zelf geen trends, maar volgt wat populair is op TikTok en andere – al dan niet Chinese – sociale media, en brengt die dan razendsnel en spotgoedkoop aan de man.

Nieuwe klanten

De Belgische modescene voelt de bui hangen. Het was een teken aan de wand dat het mode-event Fashion Talks, dat plaatsvond in de Arenbergschouwburg in Antwerpen, retailanalist en China-specialist Ed Sander op de aanwezige modeontwerpers losliet – een “niet bepaald modieuze” Nederlander, zoals hij zichzelf noemt, die zich richt op cijfers en verkoopstrategieën.

“Hoe is het zover kunnen komen?” vroeg Sander zich tijdens zijn keynote af. “Waar komen die webshops vandaan?” China staat al lang bekend als de fabriek van de wereld, legde Sander uit. “Jarenlang hebben westerse bedrijven er goedkoop geproduceerd, tegen hoge marges. Dat kwam iedereen ten goede. In het Westen konden mensen meer kopen voor hetzelfde budget, in China werden mensen uit de armoede gehaald.” Tot 800 miljoen Chinezen kregen zo een betere toekomst.

‘De drakenbootrace met Shein kunnen westerse merken enkel winnen als ze inzetten op kwaliteit, innovatie, branding en service’

Ed Sander, retailanalist

Zodra China zich meer begon te ontwikkelen, stegen de lonen. Tarieven van 8 dollar per uur zijn in Chinese fabrieken geen uitzondering meer. Dus weken westerse bedrijven, en vooral modebedrijven, uit naar landen waar de lonen lager zijn, zoals Vietnam en Bangladesh. “Kledingfabrieken verhuizen is makkelijk, voor producenten van elektronica ligt dat moeilijker”, zegt Sander. “Een bedrijf als Apple kan niet zomaar vertrekken, doordat er veel kennis gemoeid is met die productielijn.”

Chinese ondernemers rusten niet op hun lauweren, ondervindt Sander. “Ze zoeken telkens weer nieuwe kansen om hun fabrieken te laten draaien. De westerse merken hebben de Chinese fabrikanten geleerd hoe ze goedkoop goederen kunnen maken die lang meegaan. Die vervaardigden ze verder, eerst voor hun interne markt, maar al snel lonkte het buitenland.”

Rommel van polyester

Het Amerikaanse bedrijf Amazon trok Chinese fabrikanten aan om op zijn onlineplatform spullen te verkopen. “Tot vandaag kun je er veel Chinese producten vinden”, zegt Sander. Maar een bikini die op Amazon bijna 60 euro kost, brengt Shein aan de man voor nog geen 10 euro. Zijn strategie heet niet business to consumer, maar factory to consumer of van fabriek tot consument. Anders dan traditionele kledingbedrijven en concurrenten als Amazon heeft Shein geen eigen magazijnen. Het betaalt dus geen huur voor de retail. Overstock heeft de webshop evenmin. Dagelijks laat Shein 10.000 nieuwe ontwerpen op de wereld los. Fastfashionbedrijven ontwerpen zo’n honderd nieuwigheden per week. De nieuwe ontwerpen van Shein worden in afzonderlijke fabrieken vervaardigd, in lage oplages.

Dat is een heel andere strategie dan die van fastfashionbedrijven als Zara, H&M en Primark, die teren op hoge volumes die ze in hun eigen winkels vermarkten. “Shein vraagt fabrikanten slechts 100 tot 200 kledingstukken per ontwerp te produceren. Enkel als iets goed verkoopt, zal Shein er bijbestellen en kan de fabrikant winst maken”, vertelt Sander. De arbeidsrechtenorganisatie Public Eye, de Zwitserse tegenhanger van de Schone Kleren Campagne, die onderzoek voerde naar Shein, vindt die werkwijze onethisch. De fabrikanten nemen een enorm risico. Niet alleen kunnen ze pas geld verdienen als er bijbesteld wordt, ze moeten ook ruimte vrijhouden om die eventuele extra goederen te produceren.

Wel een grote kostenpost is het transport. Dagelijks worden 5.000 ton kleren van Shein door de lucht vervoerd. Toch slaagt het Chinese bedrijf erin ultralage prijzen te hanteren. Dat de kleding zo weinig kost, helpt paradoxaal genoeg om de kosten te drukken, want op pakketjes van minder dan 150 euro hoeft Shein geen invoerrechten te betalen. 81 procent van de kleren van Shein is bovendien gemaakt van kunststoffen, die veel goedkoper zijn dan pakweg katoen. “Het businessmodel van Shein zit erg goed in elkaar. Alleen jammer dat ze zoveel rommel van polyester rondvliegen”, vindt Sander.

Something rotten

“Met Shein valt niet te concurreren”, beseft Annick Schramme professor modemanagement aan de UAntwerpen en de Antwerp Management School. “Al zeker niet op prijs. Daarom valt het mij op dat de meer traditionele fastfashionbedrijven opschuiven naar het middensegment. Ze hanteren niet meer de scherpste prijzen, maar onderzoeken wat hun publiek wil en kan betalen.

Niet enkel de prijs, ook de kwaliteit stijgt. “Zeker bij Zara is dat al een tijdje aan de gang”, stelt Schramme vast. Een goede strategie, vindt Sander. De ‘drakenbootrace’ met Shein, zoals hij het noemt, kunnen westerse merken enkel winnen als ze inzetten op kwaliteit, innovatie, branding en service.

Zo dringt ultrafastfashion de traditionele fastfashionbedrijven een andere strategie op. Doordat ze zich genoodzaakt voelen in te zetten op kwaliteit, dwingt Shein concurrenten als Zara en H&M bovendien te verduurzamen. Tegelijk kunnen de westerse bedrijven hun marges nog verhogen ook.

‘De meer traditionele fastfashionbedrijven schuiven op naar het middensegment. Ze onderzoeken wat hun publiek wil en kan betalen’

Annick Schramme, UAntwerpen/AMS

Intussen vindt de consument bij merken van Inditex en H&M Group leren en wollen jassen van wel 1.000 euro, terwijl ketens als Zara en HM traditioneel mikken op consumenten met een minder hoog budget. “Je zou kunnen denken dat ze hun doelgroep uit het oog verliezen, maar er is meer aan de hand”, zegt Schramme. “Om op te kunnen tegen de concurrentie uit China, willen ze diversifiëren en testen ze tot hoever ze hun publiek meekrijgen.” Zo mag het bij het H&M-zusterbedrijf COS al eens wat meer kosten, merkt Schramme.

Shein biedt dan wel jurkjes aan voor 9 euro, maar volgens Schramme is dat totaal onmogelijk. “There is something rotten, dat kan niet anders. Shein werkt met onderaannemers die hun arbeiders geen eerlijk loon uitbetalen.” Nochtans, stelt Sander, produceert Shein op dezelfde plekken waar reguliere modebedrijven jarenlang kind aan huis waren. Hij vindt het te makkelijk de Chinese webshop daarvoor met de vinger te wijzen, aangezien andere bedrijven zich er net zozeer schuldig aan hebben gemaakt.

Reclameverbod

Westerse landen leggen zich niet zomaar neer bij de concurrentie uit China. In Nederland hebben kledingbedrijven en brancheorganisaties opgeroepen Shein strenger aan te pakken. De Nederlandse Tweede Kamer heeft begin juni daarover een motie goedgekeurd. In juni heeft de Franse Senaat bijna unaniem een wetsvoorstel aangenomen om reclame voor Shein aan banden te leggen. De Franse regering wil het eerst wel nog voorleggen aan de Europese Commissie. Een gemengde paritaire commissie, waarin vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zitten, buigt zich daar dit najaar over.

Onlangs hebben ook Europese consumentenorganisaties zoals Testaankoop klacht ingediend tegen Shein wegens het aanmoedigen van overconsumptie en misleidende verkooppraktijken. Uit eerder onderzoek, ook van Testaankoop, was bovendien gebleken dat 40 procent van de kleren van Shein schadelijke chemicaliën bevat.

Maar ondanks alle kritiek blijft de consument verknocht aan wegwerpmode. De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) rekende uit dat de gemiddelde Europese consument steeds meer kleren koopt, wel 19 kilogram textiel per jaar. Per jaar danken we 16 kilogram weer af. Op dat consumptiepatroon spelen webwinkels als Shein en zijn Chinese concurrent Temu handig in. “En TikTok Shop komt er ook aan”, waarschuwt Sander. “Nu bestaat dat nog niet in België, maar het is gewoon een kwestie van tijd.”

Geen sant in eigen land

Shein is niet altijd even blij met China, en China niet altijd even blij met Shein. “De Chinese regering doet veel inspanningen om China’s reputatie als productieland op te krikken”, zegt professor modemanagement Annick Schramme. Van het imago dat Chinese producten goedkoop en weinig kwalitatief zijn, wil het af. Het lanceerde de campagne Made in China 2025, om de innovatie en het vernuft van de Chinese industrie te benadrukken. Daarin gebruikt China de mode-industrie als soft power, om zijn status als wereldwijde industriële leider te bestendigen.

Het imago van Shein staat haaks op die strategie. “Daarom is de Chinese overheid er allicht niet zo blij mee”, zegt Schramme. “Tegelijk is het moeilijk het bedrijf te controleren en te sturen, omdat het zo mondiaal gericht is.” Voor de eigen markt heeft Shein nooit interesse getoond. Al sinds het begin profileert het zich als een wereldwijd merk. Shein verhuisde zijn hoofdkantoor naar Singapore en produceert inmiddels niet enkel in China, maar ook in Brazilië en Turkije. Dat is volgens Schramme geen kritiek op het Chinese regime: “Shein wil het risico spreiden en diversifieert daarom zijn productielocaties.” Dat die nieuwe productielocaties zich bovendien dichter bij de afzetmarkten in Europa en de Verenigde Staten bevinden, is mooi meegenomen. Zo komen die pakjes nóg sneller aan.

The post Is de bodemprijs voor kleding bereikt? Chinese webshops als Shein duwen Europese modegiganten naar meer kwaliteit appeared first on Trends.

Textielinzamelaars bedolven onder afdankertjes: verkoopprijs tweedehandskledij daalt spectaculair

10 June 2025 at 07:36

We gooien steeds sneller en steeds meer oude kleren weg. Maar de vraag naar afdankertjes is in elkaar gestort. Textielinzamelaars zien hun inkomsten met 70 procent dalen. Het huidige systeem is onhoudbaar, waarschuwt de sector.

Kristof Bogaert van de federatie van de afval- en recyclagesector Denuo ziet een sterke daling van wat er te verdienen valt met tweedehandskledij. De markt is overspoeld met afdankertjes van lage kwaliteit, bevestigt Pieter Verpoest van de kledinginzameler Eurofrip. “Mijn droom is alle afgedankt textiel te kunnen afnemen, maar de exportmarkten zijn verzadigd.” Bogaert wijst ultrafastfashionmerken als Shein en Temu met de vinger. De kwaliteit van de kleren die je er kunt kopen laat te wensen over, maar ze zijn zo goedkoop dat ze kunnen concurreren met Europese afdankertjes. “Afrikanen kopen liever op Chinese webshops”, zegt Hans Tops, de directeur van Kringwinkel Antwerpen.

Sinds januari zijn alle Europese lidstaten verplicht textiel apart in te zamelen, zoals in België al langer gebeurt via containers. Tweedehandskleren uit Zuid- en Oost-Europese landen, waar textiel voordien doorgaans in de vuilbak verdween, zullen de markt verder overspoelen.

Verschillende Europese inzamelaars zijn al over de kop gegaan, waarschuwt Bogaert. In eigen land ging We Make Hope, het vroegere Wereldmissiehulp, in mei vrijwillig in vereffening. In juni beslist een vereffenaar of de vzw de boeken toedoet. Het Brusselse Spullenhulp heeft al 21 mensen moeten laten gaan. Bang voor ontslagen is Bal niet. “De contracten voor containers met steden en gemeenten lopen gewoon door. Er komt zo veel binnen dat we het niet gebolwerkt krijgen.”

Lenteschoonmaak

VICT (de afkorting van Vlaams Inzamelcentrum Textiel), zijn zusterbedrijf VIC-Trans en het moederbedrijf VICT-Recutex, dat sinds 1948 bestaat, zijn een inzamelaar, een transportbedrijf en een sorteerbedrijf in één. Ze zijn de grootste textielinzamelaar en -sorteerder van ons land. Per dag sorteert de groep 65 ton kledij. Ook hier is voelbaar dat de markt verzadigd is. Op 1 en 2 mei, twee sluitingsdagen op rij, raakte 130 ton niet gesorteerd. Op Hemelvaart en de brugdag daarna evenmin. “We kunnen het ons eigenlijk niet permitteren vakantie te nemen”, zegt CEO Thomas T’jollyn. “De aanvoer van textiel is te groot, zeker nu de lenteschoonmaak achter de rug is.”

‘Onze absolute topkwaliteit ging naar Rusland. Afrikaanse klanten zouden ook graag die betere kleren willen, maar ze bieden niet dezelfde prijs’

Thomas T’jollyn,

VICT

Het bedrijf heeft 3.000 containers verspreid over Vlaanderen. Daarmee haalt het jaarlijks 16 tot 17 miljoen kilogram kledij op. VICT leegt elke container minstens één keer per week, al zijn er ook die dagelijks leeggehaald worden. “Soms zelfs op zaterdag of feestdagen, om geen overlast te veroorzaken met overvolle containers. De huidige capaciteit is te klein om de toevloed van textiel nog de baas te kunnen”, zegt T’jollyn. De situatie is zo nijpend dat de vrachtwagenchauffeurs er zelf al de kussens en donsdekens uithalen die het bedrijf van OVAM moet ophalen. “Maar evengoed stuiten ze op huishoudelijk afval zoals waterkokers en ander elektronische apparatuur, goed voor 800.000 kilo sluikstort per jaar,” zegt Frederik Bal, de COO van VICT.

Via sorteerbanden komt de opgehaalde kleding terecht in trechtersystemen, waar een werknemer vliegensvlug en op de tast bepaalt wat soort kledingstuk het is en of het in goede staat is. Dat wordt vervolgens verder gesorteerd op kwaliteit en uiteindelijk verbaald, om te exporteren naar klanten. T’jollyn wijst een topje aan waar het prijskaartje nog aanhangt: “Dat komt helaas wel vaker voor.”

Inkomsten

Europa exporteert per jaar 1,4 miljoen ton kledij naar Afrika en Azië, drie keer meer dan in 2000. VICT heeft afnemers van Kenia tot in Pakistan, maar moest onlangs afscheid nemen van een deel van zijn cliënteel. Door de oorlog in Oekraïne is Rusland buiten bereik. Ook Israël en Libanon raakt het niet meer binnen. Dat snijdt in de omzet. “Onze absolute topkwaliteit ging naar Rusland. Afrikaanse klanten zouden ook graag die betere kleren willen, maar ze bieden niet dezelfde prijs”, zegt T’jollyn.

Die prijs is met 70 procent gezakt. Ongesorteerd is textiel nog slechts 0,20 à 0,25 euro waard, in plaats van 0,70 à 0,75 euro. De Kringwinkels, die kleren zelf sorteren met het oog op lokaal hergebruik, doen wat overblijft van de hand bij sorteerders uit de privésector, zoals Eurofrip en Curitas, en opkopers. Jochim Schrooten van De Biehal in Limburg getuigt dat ze daar oorspronkelijk 0,20 euro voor kregen. “Nu is dat nog maximaal 0,02 euro, tenzij voor hoogwaardige spullen zoals sportschoenen.” Franse en Duitse collega’s melden een minimumprijs van respectievelijk 5 en 10 cent, aldus Bal.

“Het is niet langer rendabel voorgesorteerd textiel te valoriseren op deze moeilijke markt”, zegt Pieter Verpoest van Eurofrip. In plaats van te betalen om kledij over te nemen, vroeg het bedrijf er geld voor. Het contact met Kringwinkel Antwerpen is onlangs zelfs afgesprongen. Tekenend is dat in ons land steeds meer afdankertjes worden verbrand in plaats van verkocht. De koepel van de Kringwinkels, Herwin, tekende in december bijna een verdubbeling op van het aantal vernietigde kledingstukken: van 10 procent puur afval, bijvoorbeeld sluikstort in containers, tot 17 procent, waarbij ook herbruikbare kledij eraan moest geloven.

VICT, dat niet meer actief is in Antwerpen, tekent een vernietigingsgraad van slechts 5 procent op, al telt het daar niet de goederen bij die zijn vrachtwagenchauffeurs uitsorteren. ‘Vernietigen’ wil VICT-eigenaar Thomas T’jollyn het bovendien niet noemen: zijn partner Vanheede Environment Group, een afvalverwerkingsbedrijf, kan er nog brandstof uithalen, bijvoorbeeld voor de metaal- en cementindustrie. Daarnaast stuurt VICT 20 tot 25 procent naar recyclage, al eindigt het meestal in isolatiemateriaal of als poetsdoeken. Textiel-naar-textielrecyclage blijft laag: minder dan 1 procent van onze afdankertjes wordt opnieuw kledij, volgens de Amerikaanse belangenorganisatie Textile Exchange.

“Maar door deze crisis groeit het belang van recyclagetechnologie”, benadrukt Verpoest. “Machinebouwers zoals Valvan uit Menen zijn volop manieren aan het bedenken om kledij te recycleren, maar de vraag blijft uit.” Het is goedkoper nieuwe grondstoffen dan gerecycleerd garen te gebruiken. De Europese Unie denkt na over een verplichting voor producenten om recyclaat te gebruiken. “Zo creëert het de behoefte en kan de balans worden hersteld”, denkt Verpoest.

Het huidige systeem is onhoudbaar, zegt Bogaert. “In de toekomst zullen steden en gemeenten moeten betalen voor de inzameling, in plaats dat inzamelaars betalen om containers te mogen plaatsen.”

The post Textielinzamelaars bedolven onder afdankertjes: verkoopprijs tweedehandskledij daalt spectaculair appeared first on Trends Kanaal Z.

Textielinzamelaars worden bedolven onder de afdankertjes: verkoopprijzen dalen spectaculair

10 June 2025 at 07:36

We gooien steeds sneller en steeds meer oude kleren weg. Maar de vraag naar afdankertjes is in elkaar gestort. Textielinzamelaars zien hun inkomsten met 70 procent dalen. Het huidige systeem is onhoudbaar, waarschuwt de sector.

Kristof Bogaert van de federatie van de afval- en recyclagesector Denuo ziet een sterke daling van wat er te verdienen valt met tweedehandskledij. De markt is overspoeld met afdankertjes van lage kwaliteit, bevestigt Pieter Verpoest van de kledinginzameler Eurofrip. “Mijn droom is alle afgedankt textiel te kunnen afnemen, maar de exportmarkten zijn verzadigd.” Bogaert wijst ultrafastfashionmerken als Shein en Temu met de vinger. De kwaliteit van de kleren die je er kunt kopen laat te wensen over, maar ze zijn zo goedkoop dat ze kunnen concurreren met Europese afdankertjes. “Afrikanen kopen liever op Chinese webshops”, zegt Hans Tops, de directeur van Kringwinkel Antwerpen.

Sinds januari zijn alle Europese lidstaten verplicht textiel apart in te zamelen, zoals in België al langer gebeurt via containers. Tweedehandskleren uit Zuid- en Oost-Europese landen, waar textiel voordien doorgaans in de vuilbak verdween, zullen de markt verder overspoelen.

Verschillende Europese inzamelaars zijn al over de kop gegaan, waarschuwt Bogaert. In eigen land ging We Make Hope, het vroegere Wereldmissiehulp, in mei vrijwillig in vereffening. In juni beslist een vereffenaar of de vzw de boeken toedoet. Het Brusselse Spullenhulp heeft al 21 mensen moeten laten gaan. Bang voor ontslagen is Bal niet. “De contracten voor containers met steden en gemeenten lopen gewoon door. Er komt zo veel binnen dat we het niet gebolwerkt krijgen.”

Lenteschoonmaak

VICT (de afkorting van Vlaams Inzamelcentrum Textiel), zijn zusterbedrijf VIC-Trans en het moederbedrijf VICT-Recutex, dat sinds 1948 bestaat, zijn een inzamelaar, een transportbedrijf en een sorteerbedrijf in één. Ze zijn de grootste textielinzamelaar en -sorteerder van ons land. Per dag sorteert de groep 65 ton kledij. Ook hier is voelbaar dat de markt verzadigd is. Op 1 en 2 mei, twee sluitingsdagen op rij, raakte 130 ton niet gesorteerd. Op Hemelvaart en de brugdag daarna evenmin. “We kunnen het ons eigenlijk niet permitteren vakantie te nemen”, zegt CEO Thomas T’jollyn. “De aanvoer van textiel is te groot, zeker nu de lenteschoonmaak achter de rug is.”

‘Onze absolute topkwaliteit ging naar Rusland. Afrikaanse klanten zouden ook graag die betere kleren willen, maar ze bieden niet dezelfde prijs’

Thomas T’jollyn,

VICT

Het bedrijf heeft 3.000 containers verspreid over Vlaanderen. Daarmee haalt het jaarlijks 16 tot 17 miljoen kilogram kledij op. VICT leegt elke container minstens één keer per week, al zijn er ook die dagelijks leeggehaald worden. “Soms zelfs op zaterdag of feestdagen, om geen overlast te veroorzaken met overvolle containers. De huidige capaciteit is te klein om de toevloed van textiel nog de baas te kunnen”, zegt T’jollyn. De situatie is zo nijpend dat de vrachtwagenchauffeurs er zelf al de kussens en donsdekens uithalen die het bedrijf van OVAM moet ophalen. “Maar evengoed stuiten ze op huishoudelijk afval zoals waterkokers en ander elektronische apparatuur, goed voor 800.000 kilo sluikstort per jaar,” zegt Frederik Bal, de COO van VICT.

Via sorteerbanden komt de opgehaalde kleding terecht in trechtersystemen, waar een werknemer vliegensvlug en op de tast bepaalt wat soort kledingstuk het is en of het in goede staat is. Dat wordt vervolgens verder gesorteerd op kwaliteit en uiteindelijk verbaald, om te exporteren naar klanten. T’jollyn wijst een topje aan waar het prijskaartje nog aanhangt: “Dat komt helaas wel vaker voor.”

Inkomsten

Europa exporteert per jaar 1,4 miljoen ton kledij naar Afrika en Azië, drie keer meer dan in 2000. VICT heeft afnemers van Kenia tot in Pakistan, maar moest onlangs afscheid nemen van een deel van zijn cliënteel. Door de oorlog in Oekraïne is Rusland buiten bereik. Ook Israël en Libanon raakt het niet meer binnen. Dat snijdt in de omzet. “Onze absolute topkwaliteit ging naar Rusland. Afrikaanse klanten zouden ook graag die betere kleren willen, maar ze bieden niet dezelfde prijs”, zegt T’jollyn.

Die prijs is met 70 procent gezakt. Ongesorteerd is textiel nog slechts 0,20 à 0,25 euro waard, in plaats van 0,70 à 0,75 euro. De Kringwinkels, die kleren zelf sorteren met het oog op lokaal hergebruik, doen wat overblijft van de hand bij sorteerders uit de privésector, zoals Eurofrip en Curitas, en opkopers. Jochim Schrooten van De Biehal in Limburg getuigt dat ze daar oorspronkelijk 0,20 euro voor kregen. “Nu is dat nog maximaal 0,02 euro, tenzij voor hoogwaardige spullen zoals sportschoenen.” Franse en Duitse collega’s melden een minimumprijs van respectievelijk 5 en 10 cent, aldus Bal.

“Het is niet langer rendabel voorgesorteerd textiel te valoriseren op deze moeilijke markt”, zegt Pieter Verpoest van Eurofrip. In plaats van te betalen om kledij over te nemen, vroeg het bedrijf er geld voor. Het contact met Kringwinkel Antwerpen is onlangs zelfs afgesprongen. Tekenend is dat in ons land steeds meer afdankertjes worden verbrand in plaats van verkocht. De koepel van de Kringwinkels, Herwin, tekende in december bijna een verdubbeling op van het aantal vernietigde kledingstukken: van 10 procent puur afval, bijvoorbeeld sluikstort in containers, tot 17 procent, waarbij ook herbruikbare kledij eraan moest geloven.

VICT, dat niet meer actief is in Antwerpen, tekent een vernietigingsgraad van slechts 5 procent op, al telt het daar niet de goederen bij die zijn vrachtwagenchauffeurs uitsorteren. ‘Vernietigen’ wil VICT-eigenaar Thomas T’jollyn het bovendien niet noemen: zijn partner Vanheede Environment Group, een afvalverwerkingsbedrijf, kan er nog brandstof uithalen, bijvoorbeeld voor de metaal- en cementindustrie. Daarnaast stuurt VICT 20 tot 25 procent naar recyclage, al eindigt het meestal in isolatiemateriaal of als poetsdoeken. Textiel-naar-textielrecyclage blijft laag: minder dan 1 procent van onze afdankertjes wordt opnieuw kledij, volgens de Amerikaanse belangenorganisatie Textile Exchange.

“Maar door deze crisis groeit het belang van recyclagetechnologie”, benadrukt Verpoest. “Machinebouwers zoals Valvan uit Menen zijn volop manieren aan het bedenken om kledij te recycleren, maar de vraag blijft uit.” Het is goedkoper nieuwe grondstoffen dan gerecycleerd garen te gebruiken. De Europese Unie denkt na over een verplichting voor producenten om recyclaat te gebruiken. “Zo creëert het de behoefte en kan de balans worden hersteld”, denkt Verpoest.

Het huidige systeem is onhoudbaar, zegt Bogaert. “In de toekomst zullen steden en gemeenten moeten betalen voor de inzameling, in plaats dat inzamelaars betalen om containers te mogen plaatsen.”

The post Textielinzamelaars worden bedolven onder de afdankertjes: verkoopprijzen dalen spectaculair appeared first on Trends Kanaal Z.

Studio D helpt kmo’s duurzamer worden: de kunst van de ecodeal

23 May 2025 at 20:53

Hoewel de veranderde Europese wetgeving kmo’s langer respijt geeft, blijft het voor kleine bedrijven interessant duurzamer te worden. De oprichters van het Leuvense adviesbureau Studio D reiken daarvoor handvaten aan en het bouwbedrijf Mathieu Gijbels toont hoe het kan. “In offertes benadrukken we welke duurzame opties er zijn. Die noemen we ecodeals.”

Toen het bouwbedrijf Mathieu Gijbels werk wilde maken van zijn duurzaamheidsstrategie en een duurzaamheidsverslag, zocht het een partij om mee samen te werken. Dat werd de Leuvense Studio D. Mathieu Gijbels is een onderdeel van de Gijbels Group, een bouw- en vastgoedbedrijf dat zich inzet voor de verduurzaming van het bedrijfsvastgoed. Sinds de Omnibuswetgeving van de Europese Unie hoefde Mathieu Gijbels, net als andere kmo’s, niet langer verplicht rapporteren over duurzaamheid. Toch schakelde het bouwbedrijf de hulp van Studio D in om daaraan voort te werken.

Hendrik Swennen, de CEO van Mathieu Gijbels, vindt het een goede methode om te weten te komen op welke domeinen zijn organisatie een impact heeft. “De afgelopen jaren identificeerden we zo heel wat verbeterpunten”, zegt hij. “Dat is voor ons zelfs belangrijker dan nu al te voldoen aan de rapporteringseisen.” Het bedrijf let daardoor meer op het energieverbruik van de gebouwen die het optrekt en het maakt duurzamere materiaalkeuzes.

Harde wereld

Ook als werkgever wil Mathieu Gijbels een voorbeeld zijn. De bouw is een harde wereld, weet Hendrik Swennen, waar niet altijd plaats is voor duurzaamheid: “Er wordt een bestek gemaakt en er wordt een aannemer aangewezen, die vervolgens zijn financieel rendement zal proberen te realiseren binnen de gemaakte afspraken.”

“In de bouw heb je veel risico op sociale dumping”, zegt Saartje Boutsen, die Studio D samen met Charlotte Vandierendonck oprichtte. “Er zijn goedkope buitenlandse werknemers aan de slag die niet altijd in even veilige omstandigheden werken en gehuisvest worden. Mathieu Gijbels heeft veel eigen werknemers in dienst, wat meer garanties geeft voor correcte arbeidsomstandigheden.”

‘Duurzaamheid zit pas in je DNA als het je corebusiness is. Onderbouw je ambitie met data, leg uit wat je doel is, concretiseer’

Saartje Boutsen, Studio D

Financieel doorrekenen

Duurzaamheid staat nog niet bij elk bedrijf hoog op de agenda, merkt Hendrik Swennen op. “In offertes benadrukken we welke duurzame opties er zijn. Die noemen we ‘ecodeals’. Klanten kunnen de standaardmaterialen verkiezen, maar wij bieden hen de mogelijkheid om bijvoorbeeld ook voor biobased materialen te kiezen. Daarmee verlagen we niet enkel onze eigen voetafdruk, wat goed is voor ons duurzaamheidsrapport, maar hebben we ook een impact op de business en op de duurzaamheid van onze klanten.”

“Het is absurd dat veel investeringsbeslissingen voor gebouwen gebaseerd zijn op eenmalige kosten”, vindt Hendrik Swennen. “Een bouwproject is een investering van enkele miljoenen euro’s. De afwegingen over duurzaaamheid maken vaak slechts enkele tienduizenden euro’s verschil op het budget. Nochtans zijn gebouwen minstens dertig jaar in gebruik en hebben de keuzes die je maakt decennialang een impact. Dat inzicht is er ergens wel, maar het blijft een uitdaging om dat financieel door te rekenen.”

Duurzaam, durven, doen

Charlotte Vandierendonck en Saartje Boutsen publiceerden vorig jaar met Duurzaam, durven, doen een boek om kmo’s te helpen duurzamer te worden. Tijdens het schrijven had de Europese Unie haar duurzaamheidswetgeving nog niet bijgesteld. Charlotte Vandierendonck: “Europa doet aan deregulering. De redenering is dat minder administratie het groeipotentieel van Europa versterkt. Toch hoop ik dat bedrijven alsnog willen verduurzamen, niet omwille van de regelgeving, maar omwille van hun eigen ethische kompas.”

Met een holle slogan als ‘duurzaamheid zit in ons DNA’ moet je bij Charlotte Vandierendonck en Saartje Boutsen niet aankomen. “Veel te vaag”, vindt Boutsen. “Bedrijven gebruiken die zin te pas en te onpas, maar ze leggen er niet mee uit hoe ze juist het verschil willen maken. Duurzaamheid zit pas in je DNA als het je corebusiness is. Onderbouw je ambitie met data, leg uit wat je doel is, concretiseer.”
Charlotte Vandierendonck en Saartje Boutsen hebben daarvoor drie belangrijke adviezen.

Niet panikeren

Allereerst, panikeer niet. Saartje Boutsen: “De eerste stap is kijken wat je al doet. In Vlaanderen doen heel wat bedrijven aan nuchter en verantwoord ondernemerschap. Waarschijnlijk heb je dus al heel wat verwezenlijkt, maar misschien nog niet op alle duurzaamheidsthema’s. Maak voor jezelf de oefening en pak het stap voor stap aan. Er komt regelgeving op heel wat bedrijven af. Die lijkt heel complex, alsof ze een berg op moeten. Zodra ze aan de slag gaan, blijkt het allemaal wel mee te vallen.” En dat is de moeite waard. Waardegedreven bedrijven zijn toekomstbestendiger, becijferden Vandierendonck en Boutsen aan de hand van vijf studies.

‘Wij geloven heel sterk dat het ecologische, het sociale en het economische hand in hand gaan’

Charlotte Vandierendonck, Studio D

Ten tweede: denk bij duurzaamheid niet enkel aan ecologie, maar vergeet ook de sociale duurzaamheid niet. In de war for talent kan dat veel opleveren. Wie zich duurzaam profileert, trekt makkelijker nieuwe profielen aan. Dat hebben de oprichters van Studio D zelf ondervonden toen ze mensen wilden aanwerven: “Kandidaten hebben heel bewust bij ons gesolliciteerd. Intussen zijn we met vijf en hebben we heel wat expertise in ons team binnengebracht. Niet iedereen werkte voorheen als duurzaamheidsadviseur, maar natuurlijk hadden ze wel affiniteit met het thema.”

Goed voor je personeel zorgen en hen betrekken bij het duurzaamheidsbeleid is financieel voordelig, vinden Boutsen en Vandierendonck. Het levert volgens hen 40 procent meer werknemerstrouw op. Zo hoeft er minder geld en energie te gaan naar de rekrutering en de opleiding van nieuwe krachten.

Kennis delen

Het derde wat een bedrijf kan doen, is het gebrek aan kennis zo goed mogelijk wegwerken. Saartje Boutsen: “Je kunt werken aan een duurzaamheidsactieplan, maar wat heb je nodig om dat plan te realiseren? Daarom is een draagvlak zo belangrijk. Ga in team aan de slag. Doe niet enkel externe bevragingen, maar ook intern. Zo voelen de medewerkers zich gehoord en breng je meer teweeg.”

Charlotte Vandierendonck pikt erop in: “Tegelijk staan we erop dat het management mee moet zijn als we bedrijven helpen. Geregeld brengen we de CEO en de CFO aan tafel. Soms zijn ze minder overtuigd of doen ze het enkel omdat ze denken dat het een moetje is. Door kennis te delen krijgen we hen mee. Wij geloven heel sterk dat het ecologische, het sociale en het economische hand in hand gaan.”

Boutsen vindt ‘duurzaam’ geen goed woord: “Dat merk ik vaak als ik workshops geef. Iedereen denkt dan aan ‘duur’. Tijdens zulke sessies komen we vaak tot de conclusie dat je net goedkoper kunt uitkomen, bijvoorbeeld door water, elektriciteit, materialen of afval uit te sparen. In de bouwsector is het zowel duurzaam als voordelig om een gebouw niet zomaar plat te gooien. Laat de structuur staan en renoveer. Het geld dat daardoor vrijkomt, kun je investeren in nieuwe, duurzame materialen.”

The post Studio D helpt kmo’s duurzamer worden: de kunst van de ecodeal appeared first on Trends Kanaal Z.

ChatGPT-bot Josie behoedt modesector voor greenwashing

25 April 2025 at 22:48

Modebedrijven maken zich bovengemiddeld schuldig aan greenwashing. Jasmien Wynants en Judith Bussé ontwikkelden een chatbot om correct over duurzaamheid te communiceren.

In de duurzaamheidscommunicatie over mode ligt het gevoelig welke informatie je deelt. Woorden als ‘duurzaam’, ‘ecologisch’ of ‘verantwoord’ zijn uit den boze. De FOD Economie vindt die greenwashing. Vorig jaar schreef Trends over vijf modebedrijven die daarvoor op de vingers getikt zijn. Om de sector een handje te helpen, hebben het modeagentschap Masjien en het advocatenkantoor Pivot Law een tool ontwikkeld die vandaag gelanceerd wordt, Josie. Die AI-chatbot spot greenwashing en stelt een alternatieve formulering voort.

“Het gaat om een AI-agent die werkt op basis van ChatGPT”, zegt advocaat Judith Bussé. Samen met de duurzaamheidsspecialist Jasmien Wynants heeft ze Josie gevoed met wetgeving en richtlijnen van de FOD Economie en Nederlandse richtlijnen van de consumententautoriteit ACM. Wynants, die bekroond werd tot Sustainability Professional of the Year, verwerkte er ook haar eigen kennis over duurzaamheid in de modesector in.

Een probleem waar Wynants als vroegere duurzaamheidsadviseur bij Xandres op botste, is het belang van afdoende informatie. Je moet uitleggen welke stof juist is gebruikt, welk certificaat je daarvan hebt en waarom ze beter is dan een andere. Maar aan hoeveel informatie heeft de klant een boodschap?
In de praktijk denkt Wynants dat marketeers het meest gebaat zullen zijn met Josie. Zij kunnen elke socialmediapost laten nalezen voor ze hem plaatsen. “Als bedrijven een duurzaamheidsmanager in dienst hebben, controleren marketeers hun werk nu vaak eerst bij die persoon. Maar niet iedereen heeft zo’n manager, en vaak krijgt die telkens dezelfde vraag.”

Josie is volgens Wynants een voorbeeld van hoe AI geen banen afpakt, maar een welgekomen aanvulling is op iemands takenpakket. “De duurzaamheidsmanager hoeft niet elke keer aangesproken te worden. De creativiteit van de marketeer blijft de basis van de communicatie op sociale media. Als een voorstel te technisch wordt, kun je ook vragen het minder droog te schrijven.”

Voorzichtig

Wynants en Bussé beseffen dat met AI voorzichtig moet worden omgegaan. “Josie geeft geen strategisch of juridisch advies. Die disclaimer staat na elke hulpvraag.” Als factchecker vindt Bussé Josie veiliger dan ChatGPT. “Josie zoekt niet op het hele wereldwijde wet, maar beperkt zich tot de relevante Europese regelgeving.” Teksten nalezen of een webpagina screenen is geen probleem. Maar, benadrukt Bussé, als je een waarschuwing gekregen hebt, is het natuurlijk wel beter menselijke juridische bijstand te vragen.
Toch kan ook daar Josie een eerste aanzet geven, denkt Wynants. De termijnen waarbinnen je je communicatie moet aanpassen na controle van de FOD Economie zijn best kort, weet ze uit ondervinding. Xandres kreeg al eens een waarschuwing. “Je kunt een eerste aanpassing maken op basis van suggesties van Josie en die alvast communiceren naar de ambtenaar.”

“De FOD Economie juicht initiatieven toe die leiden tot het vergroten van de bewustwording rond greenwashing”, mailt woordvoerder Lien Meurisse, al beveelt ze geen specifieke tools aan. Sinds 2021 heeft onze overheid al 127 bedrijven gecontroleerd. Daarvan kregen er 66 een waarschuwing en één bedrijf een proces-verbaal. Volgens de Europese Commissie is de helft van de duurzaamheidsclaims op websites onbewezen, vaag, onduidelijk of bedrieglijk. De ngo Changing Markets becijferde dat modebedrijven zich bovengemiddeld (59 procent) schuldig maken aan greenwashing.

The post ChatGPT-bot Josie behoedt modesector voor greenwashing appeared first on Trends Kanaal Z.

Francesca Kitoko (25) lanceert haar vierde bedrijf: mascara en hairextensions uit de automaat

20 April 2025 at 09:27

Op een slecht moment een gat in een sok? Mascara uitgelopen en geen nieuwe op zak? Hairextensions nodig voor een onverwacht feestje? Dankzij de piepjonge seriële ondernemer Francesca Kitoko bent u snel geholpen. Ze plaatst automaten met lifestyleproducten op strategische plaatsen. Geld verdient ze er niet mee, ze dienen vooral als uithangbord voor haar adviesbureau.

“Alles moet perfect zijn.” We hebben elkaar nog maar pas getroffen in het station Gent-Sint-Pieters, of Francesca Kitoko Kameni haalt haar sleutelbos boven. Een van de producten in haar automaat ligt gedraaid. Gezwind past ze het aan, al even snel stopt ze een ander product in haar handtas weg. “Zo doe je dat dus. Als je iets wilt hebben uit de automaat, bel mij en ik geef je de sleutel”, proest ze het uit.

Het gaat hard voor de goedlachse Kitoko. Nog maar 25 is ze en ze heeft al vier ondernemingen op de teller staan. Enkele jaren geleden lanceerde ze samen met de Kringwinkel als student-ondernemer Kameni Fashion, een collectie geüpcyclede jeansbroeken. Na haar studie marketing en verkoop begon ze een adviesbureau. Onlangs nam ze een coworkingruimte in de hoofdstad over en ze is lector marketing aan de Thomas More Hogeschool. Maar vooral haar onderneming Kitoko Vending gooit hoge ogen. Die was zelfs een week lang een item in het tv-programma Man Bijt Hond.

De juiste snelheid

Kitoko Vending is een lifestyleautomaat. Je vindt er geen cola of snoepgoed in, wel producten als mascara, sokken, verjaardagskaarten, hairextensions en valse wimpers. Het idee haalde Kitoko uit de Verenigde Staten. Op reis in Los Angeles, waar ze familie heeft, raakte ze geïnspireerd door de massa’s automaten in de luchthaven. “Winkelpanden zijn gigantisch duur in die stad. Voor een automaat hoef je geen astronomische bedragen aan huur neer te tellen.” Van plaknagels tot yoghurtijs, je kunt het zo gek niet bedenken, of er bestaat een automaat voor. Zelfs Kylie Jenner verkoopt make-up op de luchthaven van LA. “Eigenlijk heb ik mijn inspiratie gehaald bij de Kardashians”, lacht Kitoko.

“Wat me aansprak, is de digitale interface. Die automaten zien er helemaal anders uit dan wat wij hier kennen. Je hoeft geen nummer in te tikken, wat de ervaring helemaal verandert.” Om de beleving juist te krijgen, ging Kitoko in zee met Hanot Vending, een van de weinige automatenfabrikanten van ons land. Ze zat meteen op dezelfde golflengte met de bedrijfstop: “De twee zonen van de zaakvoerder hadden net het familiebedrijf overgenomen. Ze zagen het helemaal zitten om mee na te denken over een heel ander soort automaat dan wat ze gewend zijn.”

De meeste van zijn klanten komen uit de voedingssector, vertelt CEO Jeroen Hanot: “Maar het enthousiasme van Francesca werkt aanstekelijk.” Al is de verscheidenheid aan producten een uitdaging, zegt Kitoko: “Een wenskaart mag niet zo snel uit de automaat komen als een blikje, anders floepen er misschien twee in plaats van één uit.” De duwtijd en de kracht van de transportband bekijkt Hanot per product, zodat alle spullen er juist uitkomen. Zelf gaat Kitoko minstens elke week langs om de staat van de automaten te controleren. Sinds kort heeft Kitoko Vending een app, ontwikkeld door de start-up FlowVend, waarmee je kunt kijken wat juist in de automaten zit. “Ook als klant”, zegt Hanot daarover. “Zo kun je een product reserveren om het later op te halen.”

‘Ik ben een soort Zalando. Ik verhuur plaats in mijn automaat en selecteer zorgvuldig wie erin mag liggen’

Francesca Kitoko, Kitoko Vending

Echte ondernemersspirit

De ondernemer uit Denderleeuw heeft nu twee automaten, een in Gent-Sint-Pieters en de andere in de Antwerpse Grand Bazaar. Vooral die eerste doet het goed. “In stations zitten mensen toch maar te wachten. Het is een plek van schaarste. Dat werkt goed. Aan de Meir is er al een overaanbod. Daar kijken mensen minder om naar een automaat.” Kitoko wil de samenwerking met de NMBS verdiepen. “Denderleeuw is te klein, maar Aalst is bijvoorbeeld een goede optie. Overal waar mijn doelgroep zit.”

Hoewel ze merkt – en grappig vindt – dat de wenskaarten vooral gekocht worden door mannen, mikt ze vooral op meisjes en vrouwen tussen 16 en 45 jaar. Afkomst maakt daarbij niet uit, al maakt het haar trots dat ze producten voor diverse mensen kan aanbieden. “Ik sta er weinig bij stil, maar hoe goed is het dat je hairextensions kunt vinden in een overheidsgebouw?” In één adem spreekt ze zich uit over haar lessen aan Thomas More. “Zelf heb ik nooit voorbeelden gehad. Dat ik een zwarte docent ben in de hogeschool, maakt mij heel trots.”

Met twee automaten kan de ondernemer natuurlijk haar boterham niet verdienen. De ene machine heeft ze gekocht, de huur van de andere kost haar 800 euro per maand. De prijzen van de producten in de automaat houdt ze bewust laag, van sleutelhangers van 2,5 euro tot de duurste wimpers van 39,95 euro. Omdat die herbruikbaar zijn, doen ze het beter dan de goedkopere versie, legt ze uit. Maar de prijs blijft iets om op te letten. “Een automaat associëren we nu eenmaal met goedkope producten”, merkt Francesca Kitoko op.

Inkomsten haalt ze nog niet uit de verkoop. “Als ik munt wilde slaan uit de automaten, had ik oude stock van pakweg L’Oréal of Maybelline kunnen opkopen, maar dat interesseert me niet. Voor mij is duurzaamheid belangrijk, ik wil lokale ondernemers een platform bieden. Zij betalen maandelijks een vaste prijs om hun producten in de automaten te leggen. Ze mogen ook bellen voor marketingadvies.” Enkele van de ondernemers zijn zo een vaste klant van het adviesbureau van Kitoko geworden: “Ik ben een uithangbord, ik bied hen visibiliteit.”

Wenskaarten van Kaart Blanche zijn al erg bekend in Gent, het Limburgse beautymerk Cent Pur Cent geniet vooral bekendheid in de eigen provincie. Voor die laatste is Kitoko nu verantwoordelijk voor de verkoop in Brussel: “Ik zie de automaten als een verlengstuk van mijn marketing- en salesbedrijf. Eigenlijk ben ik een soort Zalando. Ik verhuur plaats in mijn automaat en selecteer zorgvuldig wie erin mag liggen. Ik heb al de gekste voorstellen gekregen, zoals zeep op basis van moedermelk. Dat gaan we niet doen.”

Ondernemerschap zit bij Kitoko in de genen. “In Kisangani zijn mijn ouders nog eigenaar geweest van een ziekenhuis. Maar ook mijn oom heeft de echte ondernemersspirit, net als mijn tante Kim (Kim Gevaert, nvdr). Zij ondersteunen mij enorm en helpen me met advies en investeringen.” Het is geen taboe om een lening te vragen aan haar familie. “Ze weten dat ze het geld altijd terugkrijgen. En zonder dat ze dat vragen, geef ik een surplus. ‘Je bent beter dan mijn spaarrekening’, zeggen ze dan.”

The post Francesca Kitoko (25) lanceert haar vierde bedrijf: mascara en hairextensions uit de automaat appeared first on Trends Kanaal Z.

Francesca Kitoko (25) lanceert haar vierde bedrijf: mascara en hairextensions uit de automaat

20 April 2025 at 09:27

Op een slecht moment een gat in een sok? Mascara uitgelopen en geen nieuwe op zak? Hairextensions nodig voor een onverwacht feestje? Dankzij de piepjonge seriële ondernemer Francesca Kitoko bent u snel geholpen. Ze plaatst automaten met lifestyleproducten op strategische plaatsen. Geld verdient ze er niet mee, ze dienen vooral als uithangbord voor haar adviesbureau.

“Alles moet perfect zijn.” We hebben elkaar nog maar pas getroffen in het station Gent-Sint-Pieters, of Francesca Kitoko Kameni haalt haar sleutelbos boven. Een van de producten in haar automaat ligt gedraaid. Gezwind past ze het aan, al even snel stopt ze een ander product in haar handtas weg. “Zo doe je dat dus. Als je iets wilt hebben uit de automaat, bel mij en ik geef je de sleutel”, proest ze het uit.

Het gaat hard voor de goedlachse Kitoko. Nog maar 25 is ze en ze heeft al vier ondernemingen op de teller staan. Enkele jaren geleden lanceerde ze samen met de Kringwinkel als student-ondernemer Kameni Fashion, een collectie geüpcyclede jeansbroeken. Na haar studie marketing en verkoop begon ze een adviesbureau. Onlangs nam ze een coworkingruimte in de hoofdstad over en ze is lector marketing aan de Thomas More Hogeschool. Maar vooral haar onderneming Kitoko Vending gooit hoge ogen. Die was zelfs een week lang een item in het tv-programma Man Bijt Hond.

De juiste snelheid

Kitoko Vending is een lifestyleautomaat. Je vindt er geen cola of snoepgoed in, wel producten als mascara, sokken, verjaardagskaarten, hairextensions en valse wimpers. Het idee haalde Kitoko uit de Verenigde Staten. Op reis in Los Angeles, waar ze familie heeft, raakte ze geïnspireerd door de massa’s automaten in de luchthaven. “Winkelpanden zijn gigantisch duur in die stad. Voor een automaat hoef je geen astronomische bedragen aan huur neer te tellen.” Van plaknagels tot yoghurtijs, je kunt het zo gek niet bedenken, of er bestaat een automaat voor. Zelfs Kylie Jenner verkoopt make-up op de luchthaven van LA. “Eigenlijk heb ik mijn inspiratie gehaald bij de Kardashians”, lacht Kitoko.

“Wat me aansprak, is de digitale interface. Die automaten zien er helemaal anders uit dan wat wij hier kennen. Je hoeft geen nummer in te tikken, wat de ervaring helemaal verandert.” Om de beleving juist te krijgen, ging Kitoko in zee met Hanot Vending, een van de weinige automatenfabrikanten van ons land. Ze zat meteen op dezelfde golflengte met de bedrijfstop: “De twee zonen van de zaakvoerder hadden net het familiebedrijf overgenomen. Ze zagen het helemaal zitten om mee na te denken over een heel ander soort automaat dan wat ze gewend zijn.”

De meeste van zijn klanten komen uit de voedingssector, vertelt CEO Jeroen Hanot: “Maar het enthousiasme van Francesca werkt aanstekelijk.” Al is de verscheidenheid aan producten een uitdaging, zegt Kitoko: “Een wenskaart mag niet zo snel uit de automaat komen als een blikje, anders floepen er misschien twee in plaats van één uit.” De duwtijd en de kracht van de transportband bekijkt Hanot per product, zodat alle spullen er juist uitkomen. Zelf gaat Kitoko minstens elke week langs om de staat van de automaten te controleren. Sinds kort heeft Kitoko Vending een app, ontwikkeld door de start-up FlowVend, waarmee je kunt kijken wat juist in de automaten zit. “Ook als klant”, zegt Hanot daarover. “Zo kun je een product reserveren om het later op te halen.”

‘Ik ben een soort Zalando. Ik verhuur plaats in mijn automaat en selecteer zorgvuldig wie erin mag liggen’

Francesca Kitoko, Kitoko Vending

Echte ondernemersspirit

De ondernemer uit Denderleeuw heeft nu twee automaten, een in Gent-Sint-Pieters en de andere in de Antwerpse Grand Bazaar. Vooral die eerste doet het goed. “In stations zitten mensen toch maar te wachten. Het is een plek van schaarste. Dat werkt goed. Aan de Meir is er al een overaanbod. Daar kijken mensen minder om naar een automaat.” Kitoko wil de samenwerking met de NMBS verdiepen. “Denderleeuw is te klein, maar Aalst is bijvoorbeeld een goede optie. Overal waar mijn doelgroep zit.”

Hoewel ze merkt – en grappig vindt – dat de wenskaarten vooral gekocht worden door mannen, mikt ze vooral op meisjes en vrouwen tussen 16 en 45 jaar. Afkomst maakt daarbij niet uit, al maakt het haar trots dat ze producten voor diverse mensen kan aanbieden. “Ik sta er weinig bij stil, maar hoe goed is het dat je hairextensions kunt vinden in een overheidsgebouw?” In één adem spreekt ze zich uit over haar lessen aan Thomas More. “Zelf heb ik nooit voorbeelden gehad. Dat ik een zwarte docent ben in de hogeschool, maakt mij heel trots.”

Met twee automaten kan de ondernemer natuurlijk haar boterham niet verdienen. De ene machine heeft ze gekocht, de huur van de andere kost haar 800 euro per maand. De prijzen van de producten in de automaat houdt ze bewust laag, van sleutelhangers van 2,5 euro tot de duurste wimpers van 39,95 euro. Omdat die herbruikbaar zijn, doen ze het beter dan de goedkopere versie, legt ze uit. Maar de prijs blijft iets om op te letten. “Een automaat associëren we nu eenmaal met goedkope producten”, merkt Francesca Kitoko op.

Inkomsten haalt ze nog niet uit de verkoop. “Als ik munt wilde slaan uit de automaten, had ik oude stock van pakweg L’Oréal of Maybelline kunnen opkopen, maar dat interesseert me niet. Voor mij is duurzaamheid belangrijk, ik wil lokale ondernemers een platform bieden. Zij betalen maandelijks een vaste prijs om hun producten in de automaten te leggen. Ze mogen ook bellen voor marketingadvies.” Enkele van de ondernemers zijn zo een vaste klant van het adviesbureau van Kitoko geworden: “Ik ben een uithangbord, ik bied hen visibiliteit.”

Wenskaarten van Kaart Blanche zijn al erg bekend in Gent, het Limburgse beautymerk Cent Pur Cent geniet vooral bekendheid in de eigen provincie. Voor die laatste is Kitoko nu verantwoordelijk voor de verkoop in Brussel: “Ik zie de automaten als een verlengstuk van mijn marketing- en salesbedrijf. Eigenlijk ben ik een soort Zalando. Ik verhuur plaats in mijn automaat en selecteer zorgvuldig wie erin mag liggen. Ik heb al de gekste voorstellen gekregen, zoals zeep op basis van moedermelk. Dat gaan we niet doen.”

Ondernemerschap zit bij Kitoko in de genen. “In Kisangani zijn mijn ouders nog eigenaar geweest van een ziekenhuis. Maar ook mijn oom heeft de echte ondernemersspirit, net als mijn tante Kim (Kim Gevaert, nvdr). Zij ondersteunen mij enorm en helpen me met advies en investeringen.” Het is geen taboe om een lening te vragen aan haar familie. “Ze weten dat ze het geld altijd terugkrijgen. En zonder dat ze dat vragen, geef ik een surplus. ‘Je bent beter dan mijn spaarrekening’, zeggen ze dan.”

The post Francesca Kitoko (25) lanceert haar vierde bedrijf: mascara en hairextensions uit de automaat appeared first on Trends Kanaal Z.

Reis naar Ghana inspireert 7 Belgische kledingmerken tot meer duurzaamheid: ‘Dit had ik nog nooit gezien’

23 March 2025 at 08:53

Zeven Belgische modebedrijven, waaronder JBC, e5 en Bel&Bo, stonden dit najaar oog in oog met een gigantische kledingafvalberg in Ghana. Na die studiereis maken ze zich sterk dat ze samen de sector kunnen veranderen. Maar dat blijkt geen sinecure.

De CEO’s en duurzaamheidsmanagers van zeven grote en kleine Belgische moderetailers – JBC, e5, Bel&Bo, Torfs, Xandres, Atelier Noterman en Pluto – zijn nog maar pas aangekomen in de Ghanese hoofdstad Accra, of ze krijgen al een rondleiding op de grootste tweedehandsmarkt van West-Afrika. In Kantamanto worden bergen en bergen kleren verhandeld. Elke week komen er 15 miljoen afdankertjes bij. Ook Belgische: uit cijfers van de Verenigde Naties blijkt dat in 2019 in Ghana voor 2 miljoen dollar oude kleren uit België aankwam. In 2020 was Ghana de grootste opslagplaats van gebruikte kleding ter wereld. Ondanks de uitbraak van het coronavirus importeerde het land tweedehandsjes met een totale waarde van 182 miljoen dollar.

De internationale ngo The OR Foundation verricht onderzoek naar de afvalstromen, onder meer door aan de hand van de labels in de tweedehandskledij te turven welke merken er terechtkomen. Zo spotte het ook spullen van enkele merken van de Belgische delegatie tussen de afdankertjes. Welke wil Simon Gryspeert van het Vlaamse design- en modecentrum Flanders DC niet kwijt, maar hij herinnert zich dat moment als “erg confronterend”.

Bij het verlaten van de markt werd het “pas echt aangrijpend”, zegt Charlotte Delfosse van Bel&Bo: “Je denkt dat je op een gewone aardeweg naast een rivier staat, maar in feite is de oever gevormd door lagen en lagen kledij, wel tien tot twintig meter boven op elkaar. Ik had al wel vaker armoede gezien, maar nog nooit een gemeenschap die op een berg textiel woont. En dat in combinatie met de hitte en de geur – al je zintuigen stonden op scherp.”

‘Ik had al wel vaker armoede gezien, maar nog nooit een gemeenschap die op een berg textiel woont’

Charlotte Delfosse, Bel&Bo

Vier op de tien kledingstukken raken niet verkocht op Kantamanto en komen in het milieu terecht. Via waterlopen belandt een deel van de tweedehandskledij in zee. Daardoor komen de stranden, vooral tijdens het regenseizoen, vol afgedankt textiel te liggen. De CEO’s die deelnemen aan de studiereis, hadden er eerder al over gelezen. “Maar het is een groot verschil als je het met je eigen ogen ziet”, zegt Ann Claes van JBC.

Simon Gryspeert haalde voor de reis fondsen van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling binnen. De merken betaalden hun reiskosten zelf. “We hadden hier niet met zeven, maar met minstens twintig bedrijven moeten zijn”, vindt Kristof De Sutter van e5. Hij noemt de situatie in Ghana “volkomen onaanvaardbaar”. Daarover zijn alle ondernemers het met elkaar eens.

Andere context

Na hun bezoek aan de markt en de stranden sloten de deelnemers zich drie dagen op in een conferentiecentrum. Het was nuttig een andere context op te zoeken om dat gesprek aan te gaan, getuigt Ann Claes. “Thuis is alles hectisch en zit je in de waarheid van het moment. Op reis ben je niet met de dagelijkse sleur bezig en kun je dat gevoel langer vasthouden.”

Het doel van de conferentie was tot een gezamenlijk engagement te komen om de sector te verbeteren. Dat kwam er in de vorm van een tekst, die de ondernemers doopten tot het Charter voor Verantwoord Ketenbeheer in de Belgische Mode, of kortweg het ‘Ghana-akkoord’. In dat document beloven de kledingmerken hun toeleveringsketen kritisch tegen het licht te houden. Ze engageren zich onder meer om enkel kwaliteit op de markt te brengen, zich te houden aan ecodesignprincipes en kleding te ontwerpen die makkelijk te herstellen en te recycleren valt.

Maar ook dan kan Ann Claes niet uitsluiten dat er geen kleren van JBC op de markt meer terecht zullen komen, zegt ze: “Over wat klanten in een kledingcontainer gooien, heb ik geen controle.” De meeste deelnemers zamelen daarom zelf oude kleren in. Het broekenmerk Atelier Noterman, dat geen eigen winkels heeft, plaatste dit jaar voor het eerst een teruggavebak bij vier afnemers. Intussen kun je oude broeken terugbrengen bij alle retailers die het merk verkopen. Xandres bracht al kledij binnen bij de Kringwinkel. Bel&Bo, JBC en Torfs werken respectievelijk al drie, tien en twaalf jaar samen met We Make Hope, het vroegere Wereldmissiehulp. E5 spant de kroon met een samenwerking met Oxfam die al 23 jaar meegaat en waarbij het vaste klanten zakjes opstuurt om hun oude kledij in te verzamelen. Wie dat naar de winkel brengt, krijgt een kortingsbon.

‘Is het voor ons haalbaar binnen de vijf jaar leefbare lonen uit te betalen? Nee, nog niet’

Charlotte Delfosse, Bel&Bo

Tweede leven

Blijft de vraag of ook die kleren in Ghana kunnen terechtkomen. Na de schok van de reis staan de bedrijven in nauwer contact met de liefdadigheidsinstellingen waarmee ze samenwerken om textiel op te halen. De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) schat dat slechts 5 à 10 procent van de in België gesorteerde tweedehandskledij in eigen land een tweede leven krijgt. “We willen betere garanties”, klinkt het bij Bel&Bo. “Tot op een bepaald niveau zijn we op de hoogte, maar exacte percentages hebben we niet. Daarom hebben we extra meetings ingepland, ook met andere partijen dan We Make Hope. We willen in zee gaan met de partij die ons de meeste transparantie kan bieden en de kleren zo veel mogelijk lokaal hergebruikt.”

Het helpt om opkopers daar samen over aan te spreken, vult Claes aan. “Als iedereen transparantie eist, krijg je zoiets makkelijker voor elkaar.” E5 sprak zijn partner daar anderhalf jaar geleden al over aan. Kristof De Sutter: “De kwaliteit van kleren die merken zelf inleveren, is hoger dan wat in een container belandt. Bij ons kan 40 procent lokaal worden hergebruikt. 35 procent gaat naar het buitenland, 90 procent daarvan wordt geauditeerd (gecontroleerd door een externe organisatie, nvdr). Een organisatie als Oxfam zou met de billen bloot gaan als blijkt dat de volumes die zij afzetten het probleem alleen maar groter maken.

KANTAMANTO Ghana is de grootste opslagplaats van gebruikte kleding ter wereld.

Europese Commissie

Over hun toeleveringsketen hebben bedrijven, in theorie althans, meer controle. Ook dat was een aandachtspunt tijdens de studiereis in Ghana. Eind februari werd de zorgplichtwetgeving CSDDD aangepast als onderdeel van het Omnibuspakket dat de Europese Commissie goedkeurde. Het bereik werd verkleind. Enkel de grootste 6.000 EU-bedrijven en 900 niet-EU-bedrijven met belangrijke activiteiten in de Europese Unie zullen moeten rapporteren vanaf 2028. De rapportering wordt beperkt tot de bedrijven waarmee een bedrijf direct handeldrijft; er wordt niet dieper in de keten gekeken. De meeste meegereisde bedrijven in Ghana zullen niet verplicht moeten rapporteren, maar engageren zich wel via het charter.

Modemerken werken doorgaans met verschillende fabrikanten, die op hun beurt leveranciers hebben om de stoffen te leveren. Zicht krijgen op waar en in welke omstandigheden die stoffen worden geverfd, geweven en gesponnen, blijkt makkelijker als kmo dan als groot bedrijf. “Al lopen onze wasserijen er niet mee te koop wie onze jeans heeft geverfd. We gaan daar nu steeds verder in en vragen lijsten op”, zegt Wouter Noterman.
De industrie maakt goede vorderingen met de chemicaliën die in hun producten worden gebruikt, benadrukt de CEO van Atelier Noterman. Al liep het vijf jaar geleden eens fout. “Toen hebben we een kleine oplage laten verven met pigmenten uit plantaardige extracten”, zegt Wouter Noterman. “Geen chemie dus, maar dat hield blijkbaar in dat de kleur niet gefixeerd werd. De broeken bleken af te gaan.”

Volgende generatie

Duurzaam gebruik van grondstoffen en milieubeheer, respect voor mensenrechten, traceerbaarheid: ook al die pijlers maken deel uit van het Ghana-akkoord. Charlotte Delfosse: “Wij staan verder op het ene vlak, Atelier Noterman en het nachtmodemerk Pluto staan verder op een ander vlak. Die diversiteit gaf een interessante dynamiek tijdens de gesprekken. Na het afkloppen van het charter heeft iedereen andere prioriteiten om aan te werken. Liever zo dan onmogelijke doelen te stellen waar we niet mee vooruit kunnen.”

Ann Claes noemt het een unieke reis omdat bedrijven die normaal concurreren daar zo openlijk samenwerkten: “Ik geef eerlijk toe dat ik daar aanvankelijk nerveus voor was, maar het liep zeer goed.” Logisch ook, bedenkt ze. “Als je niet wilt meewerken, maak je ook geen week vrij in je agenda.” In die zin viel het duurzaamheidsadviseur Saartje Boutsen op dat de deelnemers bijna allemaal familiebedrijven waren. “Niet toevallig, denk ik. Zij focussen niet enkel op winst maken, maar denken systematisch aan de lange termijn, richting de volgende generatie.”

Een heikel thema legt Europa niet verplicht op: het uitbetalen van leefbare lonen. Saartje Boutsen vertelt dat Noterman daarover het voortouw nam tijdens de conferentie. De Oost-Vlaamse ondernemer wil daarin ver gaan. In februari deelde hij openlijk hoeveel de arbeiders in zijn atelier in Portugal verdienen. Het charter vermeldt slechts dat de bedrijven “zich engageren om in dialoog te gaan met leveranciers over leefbare lonen voor textielarbeiders en waar mogelijk stappen te ondernemen”. Zo zal Bel&Bo “het verschil tussen een minimumloon en een leefbaar loon uitrekenen en samen met leveranciers kijken naar de mogelijkheden”.
“Maar is het voor ons haalbaar binnen de vijf jaar leefbare lonen uit te betalen? Nee, nog niet. In vergelijking met internationale spelers kunnen we niet voldoende gewicht in de schaal leggen”, aldus Charlotte Delfosse. Ook Kristof De Sutter geeft toe “moeilijk impact te hebben op de lonen in China”.

Naast de belofte om voor eigen deur te vegen maakte de groep plannen om landen als Ghana een duwtje in de rug te geven. In het charter wordt er met geen woord over gerept, maar in een persbericht naar aanleiding van de reis staat dat de deelnemende merken “pleiten voor financiering om de afvalwerking in bestemmingslanden te ondersteunen”.

‘Zicht krijgen op waar en in welke omstandigheden onze stoffen worden geverfd, geweven en gesponnen, blijkt makkelijker als kmo dan als groot bedrijf’

Wouter Noterman, Atelier Noterman

“Als je het textielafvalprobleem in Ghana vergelijkt met een brandend huis, is het charter bedoeld om de toestroom van extra brandstof tegen te houden”, klinkt het verder. Over wie ze dan het best ondersteunen, bestaat discussie. “De consensus is dat hun steun vooral structureel zou moeten zijn. Ze willen wegen op het beleid in plaats van één ngo te financieren”, vat Saartje Boutsen samen.

Uitgebreide verantwoordelijkheid

Drie maanden na de studiereis sloeg het noodlot toe in Accra. Ruim drie kwart van de tweedehandsmarkt Kantamanto ging in vlammen op. The OR Foundation roept op om donaties te geven. Ondanks hun recente bezoek aarzelden de Belgische bedrijven eerst. In februari beslist de groep gezamenlijk een gift te doen van 13.500 euro voor de slachtoffers en de heropbouw van de markt (zie kader onderaan).

Kristof De Sutter betwijfelt of dat laatste zo’n goede zaak is: “The OR Foundation is vol lof over hoe de lokale economie in Ghana werkt, maar daar ga ik niet mee akkoord. De werkomstandigheden en de veiligheid waren voor mij schrijnend.”

De toekomstige regelgeving, ‘uitgebreide producentenverantwoordelijkheid’ genaamd, zal bedrijven verplichten om net als e5 hun oud textiel terug te nemen. “Die wet moet de toestroom van kleren naar plekken als Ghana de wereld uit helpen”, denkt Kristof De Sutter. “Niet enkel de afvalbergen zijn onaanvaardbaar, ook die markt zou eigenlijk niet mogen bestaan.”

Belgische modebedrijven steunen Ghanese tweedehandsmarkt

Tijdens een studiereis in Ghana eind vorig jaar werden de CEO’s en duurzaamheidsmanagers van JBC, Bel&Bo, e5, Torfs, Xandres, het jeansmerk Atelier Noterman en het nachtkledingmerk Pluto geconfronteerd met de impact van afgedankt textiel. Op 2 januari, slechts enkele maanden na de studiereis, vernielde een brand drie kwart van de markt. De ngo die de Belgische delegatie rondleidde, The OR Foundation, riep op tot donaties. Na enige aarzeling besliste de groep eind februari gezamenlijk een bedrag van 13.500 euro te storten. Het geld is bedoeld voor de slachtoffers van de markt en de wederopbouw. Individuele bedragen noemen de bedrijven niet, maar zijn in verhouding met de grootte van hun omzet.

De bedrijven aarzelden omdat ze van mening zijn dat ze beter structureel impact hebben dan één ngo te steunen. Zo willen ze wegen op de wetgeving die ervoor moet zorgen dat er geen onverkoopbaar textiel naar Ghana verscheept wordt. “Op de markt komt veel slecht, goedkoop textiel terecht, een eigen Ghanese modesector is er amper nog”, schetst Simon Gryspeert van Flanders DC, dat de studiereis mee begeleidde. “De Belgische merken willen niet bijdragen aan een slechte systematiek. Tegelijk erkennen ze de reële nood aan kledij ginder. En het menselijke primeert. Daar is iets ergs gebeurd, daar zijn ze bezorgd om. Vandaar dat alle bedrijven uiteindelijk beslist hebben te steunen. ”The OR Foundation gebruikt het geld voor een fire relief fund. De stichting bracht in kaart wie waar een stand had op de markt en dus geïmpacteerd werd door de brand. “Het gaat om een compensatie, om de markt opnieuw te kunnen opbouwen”, zegt Simon Gryspeert van Flanders DC.

The post Reis naar Ghana inspireert 7 Belgische kledingmerken tot meer duurzaamheid: ‘Dit had ik nog nooit gezien’ appeared first on Trends Kanaal Z.

Reis naar Ghana inspireert 7 Belgische kledingmerken tot meer duurzaamheid: ‘Dit had ik nog nooit gezien’

23 March 2025 at 08:53

Zeven Belgische modebedrijven, waaronder JBC, e5 en Bel&Bo, stonden dit najaar oog in oog met een gigantische kledingafvalberg in Ghana. Na die studiereis maken ze zich sterk dat ze samen de sector kunnen veranderen. Maar dat blijkt geen sinecure.

De CEO’s en duurzaamheidsmanagers van zeven grote en kleine Belgische moderetailers – JBC, e5, Bel&Bo, Torfs, Xandres, Atelier Noterman en Pluto – zijn nog maar pas aangekomen in de Ghanese hoofdstad Accra, of ze krijgen al een rondleiding op de grootste tweedehandsmarkt van West-Afrika. In Kantamanto worden bergen en bergen kleren verhandeld. Elke week komen er 15 miljoen afdankertjes bij. Ook Belgische: uit cijfers van de Verenigde Naties blijkt dat in 2019 in Ghana voor 2 miljoen dollar oude kleren uit België aankwam. In 2020 was Ghana de grootste opslagplaats van gebruikte kleding ter wereld. Ondanks de uitbraak van het coronavirus importeerde het land tweedehandsjes met een totale waarde van 182 miljoen dollar.

De internationale ngo The OR Foundation verricht onderzoek naar de afvalstromen, onder meer door aan de hand van de labels in de tweedehandskledij te turven welke merken er terechtkomen. Zo spotte het ook spullen van enkele merken van de Belgische delegatie tussen de afdankertjes. Welke wil Simon Gryspeert van het Vlaamse design- en modecentrum Flanders DC niet kwijt, maar hij herinnert zich dat moment als “erg confronterend”.

Bij het verlaten van de markt werd het “pas echt aangrijpend”, zegt Charlotte Delfosse van Bel&Bo: “Je denkt dat je op een gewone aardeweg naast een rivier staat, maar in feite is de oever gevormd door lagen en lagen kledij, wel tien tot twintig meter boven op elkaar. Ik had al wel vaker armoede gezien, maar nog nooit een gemeenschap die op een berg textiel woont. En dat in combinatie met de hitte en de geur – al je zintuigen stonden op scherp.”

‘Ik had al wel vaker armoede gezien, maar nog nooit een gemeenschap die op een berg textiel woont’

Charlotte Delfosse, Bel&Bo

Vier op de tien kledingstukken raken niet verkocht op Kantamanto en komen in het milieu terecht. Via waterlopen belandt een deel van de tweedehandskledij in zee. Daardoor komen de stranden, vooral tijdens het regenseizoen, vol afgedankt textiel te liggen. De CEO’s die deelnemen aan de studiereis, hadden er eerder al over gelezen. “Maar het is een groot verschil als je het met je eigen ogen ziet”, zegt Ann Claes van JBC.

Simon Gryspeert haalde voor de reis fondsen van het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling binnen. De merken betaalden hun reiskosten zelf. “We hadden hier niet met zeven, maar met minstens twintig bedrijven moeten zijn”, vindt Kristof De Sutter van e5. Hij noemt de situatie in Ghana “volkomen onaanvaardbaar”. Daarover zijn alle ondernemers het met elkaar eens.

Andere context

Na hun bezoek aan de markt en de stranden sloten de deelnemers zich drie dagen op in een conferentiecentrum. Het was nuttig een andere context op te zoeken om dat gesprek aan te gaan, getuigt Ann Claes. “Thuis is alles hectisch en zit je in de waarheid van het moment. Op reis ben je niet met de dagelijkse sleur bezig en kun je dat gevoel langer vasthouden.”

Het doel van de conferentie was tot een gezamenlijk engagement te komen om de sector te verbeteren. Dat kwam er in de vorm van een tekst, die de ondernemers doopten tot het Charter voor Verantwoord Ketenbeheer in de Belgische Mode, of kortweg het ‘Ghana-akkoord’. In dat document beloven de kledingmerken hun toeleveringsketen kritisch tegen het licht te houden. Ze engageren zich onder meer om enkel kwaliteit op de markt te brengen, zich te houden aan ecodesignprincipes en kleding te ontwerpen die makkelijk te herstellen en te recycleren valt.

Maar ook dan kan Ann Claes niet uitsluiten dat er geen kleren van JBC op de markt meer terecht zullen komen, zegt ze: “Over wat klanten in een kledingcontainer gooien, heb ik geen controle.” De meeste deelnemers zamelen daarom zelf oude kleren in. Het broekenmerk Atelier Noterman, dat geen eigen winkels heeft, plaatste dit jaar voor het eerst een teruggavebak bij vier afnemers. Intussen kun je oude broeken terugbrengen bij alle retailers die het merk verkopen. Xandres bracht al kledij binnen bij de Kringwinkel. Bel&Bo, JBC en Torfs werken respectievelijk al drie, tien en twaalf jaar samen met We Make Hope, het vroegere Wereldmissiehulp. E5 spant de kroon met een samenwerking met Oxfam die al 23 jaar meegaat en waarbij het vaste klanten zakjes opstuurt om hun oude kledij in te verzamelen. Wie dat naar de winkel brengt, krijgt een kortingsbon.

‘Is het voor ons haalbaar binnen de vijf jaar leefbare lonen uit te betalen? Nee, nog niet’

Charlotte Delfosse, Bel&Bo

Tweede leven

Blijft de vraag of ook die kleren in Ghana kunnen terechtkomen. Na de schok van de reis staan de bedrijven in nauwer contact met de liefdadigheidsinstellingen waarmee ze samenwerken om textiel op te halen. De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) schat dat slechts 5 à 10 procent van de in België gesorteerde tweedehandskledij in eigen land een tweede leven krijgt. “We willen betere garanties”, klinkt het bij Bel&Bo. “Tot op een bepaald niveau zijn we op de hoogte, maar exacte percentages hebben we niet. Daarom hebben we extra meetings ingepland, ook met andere partijen dan We Make Hope. We willen in zee gaan met de partij die ons de meeste transparantie kan bieden en de kleren zo veel mogelijk lokaal hergebruikt.”

Het helpt om opkopers daar samen over aan te spreken, vult Claes aan. “Als iedereen transparantie eist, krijg je zoiets makkelijker voor elkaar.” E5 sprak zijn partner daar anderhalf jaar geleden al over aan. Kristof De Sutter: “De kwaliteit van kleren die merken zelf inleveren, is hoger dan wat in een container belandt. Bij ons kan 40 procent lokaal worden hergebruikt. 35 procent gaat naar het buitenland, 90 procent daarvan wordt geauditeerd (gecontroleerd door een externe organisatie, nvdr). Een organisatie als Oxfam zou met de billen bloot gaan als blijkt dat de volumes die zij afzetten het probleem alleen maar groter maken.

KANTAMANTO Ghana is de grootste opslagplaats van gebruikte kleding ter wereld.

Europese Commissie

Over hun toeleveringsketen hebben bedrijven, in theorie althans, meer controle. Ook dat was een aandachtspunt tijdens de studiereis in Ghana. Eind februari werd de zorgplichtwetgeving CSDDD aangepast als onderdeel van het Omnibuspakket dat de Europese Commissie goedkeurde. Het bereik werd verkleind. Enkel de grootste 6.000 EU-bedrijven en 900 niet-EU-bedrijven met belangrijke activiteiten in de Europese Unie zullen moeten rapporteren vanaf 2028. De rapportering wordt beperkt tot de bedrijven waarmee een bedrijf direct handeldrijft; er wordt niet dieper in de keten gekeken. De meeste meegereisde bedrijven in Ghana zullen niet verplicht moeten rapporteren, maar engageren zich wel via het charter.

Modemerken werken doorgaans met verschillende fabrikanten, die op hun beurt leveranciers hebben om de stoffen te leveren. Zicht krijgen op waar en in welke omstandigheden die stoffen worden geverfd, geweven en gesponnen, blijkt makkelijker als kmo dan als groot bedrijf. “Al lopen onze wasserijen er niet mee te koop wie onze jeans heeft geverfd. We gaan daar nu steeds verder in en vragen lijsten op”, zegt Wouter Noterman.
De industrie maakt goede vorderingen met de chemicaliën die in hun producten worden gebruikt, benadrukt de CEO van Atelier Noterman. Al liep het vijf jaar geleden eens fout. “Toen hebben we een kleine oplage laten verven met pigmenten uit plantaardige extracten”, zegt Wouter Noterman. “Geen chemie dus, maar dat hield blijkbaar in dat de kleur niet gefixeerd werd. De broeken bleken af te gaan.”

Volgende generatie

Duurzaam gebruik van grondstoffen en milieubeheer, respect voor mensenrechten, traceerbaarheid: ook al die pijlers maken deel uit van het Ghana-akkoord. Charlotte Delfosse: “Wij staan verder op het ene vlak, Atelier Noterman en het nachtmodemerk Pluto staan verder op een ander vlak. Die diversiteit gaf een interessante dynamiek tijdens de gesprekken. Na het afkloppen van het charter heeft iedereen andere prioriteiten om aan te werken. Liever zo dan onmogelijke doelen te stellen waar we niet mee vooruit kunnen.”

Ann Claes noemt het een unieke reis omdat bedrijven die normaal concurreren daar zo openlijk samenwerkten: “Ik geef eerlijk toe dat ik daar aanvankelijk nerveus voor was, maar het liep zeer goed.” Logisch ook, bedenkt ze. “Als je niet wilt meewerken, maak je ook geen week vrij in je agenda.” In die zin viel het duurzaamheidsadviseur Saartje Boutsen op dat de deelnemers bijna allemaal familiebedrijven waren. “Niet toevallig, denk ik. Zij focussen niet enkel op winst maken, maar denken systematisch aan de lange termijn, richting de volgende generatie.”

Een heikel thema legt Europa niet verplicht op: het uitbetalen van leefbare lonen. Saartje Boutsen vertelt dat Noterman daarover het voortouw nam tijdens de conferentie. De Oost-Vlaamse ondernemer wil daarin ver gaan. In februari deelde hij openlijk hoeveel de arbeiders in zijn atelier in Portugal verdienen. Het charter vermeldt slechts dat de bedrijven “zich engageren om in dialoog te gaan met leveranciers over leefbare lonen voor textielarbeiders en waar mogelijk stappen te ondernemen”. Zo zal Bel&Bo “het verschil tussen een minimumloon en een leefbaar loon uitrekenen en samen met leveranciers kijken naar de mogelijkheden”.
“Maar is het voor ons haalbaar binnen de vijf jaar leefbare lonen uit te betalen? Nee, nog niet. In vergelijking met internationale spelers kunnen we niet voldoende gewicht in de schaal leggen”, aldus Charlotte Delfosse. Ook Kristof De Sutter geeft toe “moeilijk impact te hebben op de lonen in China”.

Naast de belofte om voor eigen deur te vegen maakte de groep plannen om landen als Ghana een duwtje in de rug te geven. In het charter wordt er met geen woord over gerept, maar in een persbericht naar aanleiding van de reis staat dat de deelnemende merken “pleiten voor financiering om de afvalwerking in bestemmingslanden te ondersteunen”.

‘Zicht krijgen op waar en in welke omstandigheden onze stoffen worden geverfd, geweven en gesponnen, blijkt makkelijker als kmo dan als groot bedrijf’

Wouter Noterman, Atelier Noterman

“Als je het textielafvalprobleem in Ghana vergelijkt met een brandend huis, is het charter bedoeld om de toestroom van extra brandstof tegen te houden”, klinkt het verder. Over wie ze dan het best ondersteunen, bestaat discussie. “De consensus is dat hun steun vooral structureel zou moeten zijn. Ze willen wegen op het beleid in plaats van één ngo te financieren”, vat Saartje Boutsen samen.

Uitgebreide verantwoordelijkheid

Drie maanden na de studiereis sloeg het noodlot toe in Accra. Ruim drie kwart van de tweedehandsmarkt Kantamanto ging in vlammen op. The OR Foundation roept op om donaties te geven. Ondanks hun recente bezoek aarzelden de Belgische bedrijven eerst. In februari beslist de groep gezamenlijk een gift te doen van 13.500 euro voor de slachtoffers en de heropbouw van de markt (zie kader onderaan).

Kristof De Sutter betwijfelt of dat laatste zo’n goede zaak is: “The OR Foundation is vol lof over hoe de lokale economie in Ghana werkt, maar daar ga ik niet mee akkoord. De werkomstandigheden en de veiligheid waren voor mij schrijnend.”

De toekomstige regelgeving, ‘uitgebreide producentenverantwoordelijkheid’ genaamd, zal bedrijven verplichten om net als e5 hun oud textiel terug te nemen. “Die wet moet de toestroom van kleren naar plekken als Ghana de wereld uit helpen”, denkt Kristof De Sutter. “Niet enkel de afvalbergen zijn onaanvaardbaar, ook die markt zou eigenlijk niet mogen bestaan.”

Belgische modebedrijven steunen Ghanese tweedehandsmarkt

Tijdens een studiereis in Ghana eind vorig jaar werden de CEO’s en duurzaamheidsmanagers van JBC, Bel&Bo, e5, Torfs, Xandres, het jeansmerk Atelier Noterman en het nachtkledingmerk Pluto geconfronteerd met de impact van afgedankt textiel. Op 2 januari, slechts enkele maanden na de studiereis, vernielde een brand drie kwart van de markt. De ngo die de Belgische delegatie rondleidde, The OR Foundation, riep op tot donaties. Na enige aarzeling besliste de groep eind februari gezamenlijk een bedrag van 13.500 euro te storten. Het geld is bedoeld voor de slachtoffers van de markt en de wederopbouw. Individuele bedragen noemen de bedrijven niet, maar zijn in verhouding met de grootte van hun omzet.

De bedrijven aarzelden omdat ze van mening zijn dat ze beter structureel impact hebben dan één ngo te steunen. Zo willen ze wegen op de wetgeving die ervoor moet zorgen dat er geen onverkoopbaar textiel naar Ghana verscheept wordt. “Op de markt komt veel slecht, goedkoop textiel terecht, een eigen Ghanese modesector is er amper nog”, schetst Simon Gryspeert van Flanders DC, dat de studiereis mee begeleidde. “De Belgische merken willen niet bijdragen aan een slechte systematiek. Tegelijk erkennen ze de reële nood aan kledij ginder. En het menselijke primeert. Daar is iets ergs gebeurd, daar zijn ze bezorgd om. Vandaar dat alle bedrijven uiteindelijk beslist hebben te steunen. ”The OR Foundation gebruikt het geld voor een fire relief fund. De stichting bracht in kaart wie waar een stand had op de markt en dus geïmpacteerd werd door de brand. “Het gaat om een compensatie, om de markt opnieuw te kunnen opbouwen”, zegt Simon Gryspeert van Flanders DC.

The post Reis naar Ghana inspireert 7 Belgische kledingmerken tot meer duurzaamheid: ‘Dit had ik nog nooit gezien’ appeared first on Trends Kanaal Z.

❌